Bekijk oefeningen voor een andere techniek

De organisatie in de volgende oefeningen is dat twee spelers tegenover elkaar staan. Per tweetal een bal. De afstand is te variëren, maar spelers mogen niet op maximale afstand gaan oefenen. Laat de spelers niet te ‘stijf’ staan, ze moeten losjes en ontspannen op de plaats kunnen bewegen.

Oefening 1

Spelers werpen elkaar de bal toe met twee handen en vangen met twee handen. Plaatsen op borsthoogte. Besteed aandacht aan of het werpen of het vangen, niet beide tegelijk.

Variaties: welk tweetal kan het snelst 25 keer heen en weer gooien, wie kan het vaakst overspelen zonder de bal te laten vallen.

Oefening 2

Als oefening 1, maar de bal iets hoger toespelen, niet zo hoog dat men moet springen, dus net boven het hoofd. Let met name op het vangen en de positie van de duimen, iets dichter bij elkaar dan bij oefening 1.

Oefening 3

Als oefening 1, maar de bal wordt op kniehoogte aangespeeld. Let met name op de pinken, iets dichter bij elkaar en naar de grond wijzend.

Oefening 4

De spelers iets dichter bij elkaar laten staan en met een stuit overgooien.

Oefening 5

De spelers gooien de bal afwisselend hoog, laag, met een stuit of op borsthoogte aan.

Variaties

Dezelfde oefeningen kunnen op grotere afstand worden uitgevoerd. Een leuke variatie is spelers dicht bij elkaar laten beginnen en na 3 keer goed heen en weer gooien steeds een kleine stap verder uit elkaar te laten staan. Na verloop van tijd

komt men ver uit elkaar en zal de maximale afstand worden bereikt. Laat spelers hooguit 3 keer op maximale afstand gooien, zeker niet meer of verder.

Oefening 6

Een speler is de werker en een speler is de aangever. De werker komt vanaf circa 10 meter aanlopen richting aangever, de bal wordt met twee handen gegooid. De werker stopt, vangt de bal met twee handen, gooit terug met twee handen en loopt terug naar beginpositie. Oefening tienmaal uitvoeren en dan wisselen van taak.

Oefening 7

Als oefening 6, maar teruggooien in de loop. Bij ervaren spelers kan de werker de bal ontvangen bij het tegemoetkomen maar ook bij het weglopen.

Oefening 8

De werker loopt op circa 5 meter afstand links en rechts van de aangever, de aangever gooit met twee handen aan als de werker bij het keerpunt is. Let op dat de bal voor de werker wordt gegooid en op het indraaien van het lichaam alvorens de bal wordt gevangen. Het keerpunt kan worden gemarkeerd, bij ervaren spelers is dit niet nodig. Ervaren spelers moeten blijven lopen totdat de bal is gegooid, de aangever heeft de taak om de afstanden in te schatten.

Oefening 9

De werker beweegt in een halve cirkel voor de aangever, waarbij naar de aangever toe kan worden gelopen, links en rechts kan worden gelopen en van de aangever af.

Oefening 10

Tegenover elkaar staande spelers. De spelers werpen de bal met één hand toe en vangen met twee handen. Oefen 25 keer met rechts en 25 keer met links.

Variaties: welk tweetal kan het snelst 25 keer heen en weer gooien, wie kan het vaakst overspelen zonder de bal te laten vallen.

Oefening 11

Als oefening 10. Met twee handen werpen en met één hand vangen, de vanger geeft aan op welke hand. Oefen dit 25 keer rechts en 25 keer links.

Oefening 12

Als oefening 10. Speler gooien met één hand en vangen met één hand, steeds dezelfde hand.

Oefening 13

Als oefening 12, maar de bal wordt gevangen met links, overpakken op rechts en gooien met rechts. De bal zal als het ware ‘achtjes’ gaan draaien. Na 20 keer heen en weer vangen met rechts, overpakken op links en gooien met links.

Oefening 14

De spelers geven elkaar moeilijke ballen. Zodanig gooien dat er moeite moet worden gedaan om met één hand te vangen. Op kniehoogte, iets te ver langs het lichaam, iets boven het hoofd.

Oefening 15

De spelers bewegen lichtjes heen en weer. De bal moet worden geplaatst op bewegende spelers, dus iets voor het lichaam van de bewegende speler.

Oefening 16

Als oefening 10, maar nu met een bovenhandse slingerworp.

Oefening 17

Als oefening 16, maar de spelers vangen met één hand en proberen de bal ‘draaiende’ te houden. Dat betekent dat de snelheid van de bal wordt omgezet in de draaibeweging die bij hoofdstuk 5 is beschreven en direct wordt teruggegooid. Het vangen is direct de start van de slingerworp.

Oefening 18

Als oefening 17, maar nu met een onderhandse slingerworp. De bal wordt hoog gevangen en met een draaibeweging achter het lichaam onderhands teruggegooid.

Oefening 19

De spelers spelen de bal achter de rug naar elkaar toe. Net als bij de slingerworp is het lichaam wat gedraaid (als er met rechts wordt gegooid moet de linkerschouder het dichtst bij de medespeler zijn), de afstanden bij deze oefening klein houden.

Oefening 20

De spelers spelen elkaar de bal in de sprong toe. Vlak voor het ontvangen van de bal springt men op, men vangt de bal, speelt deze snel weer terug en belandt pas daarna op de grond.

Een lastige oefening waarbij het vooral op timing aankomt, de meeste spelers zullen te vroeg springen en daardoor geen tijd hebben om de bal terug te gooien. Eventueel slechts een van de spelers laten springen.

Voor kinderen met weinig sprongkracht is deze oefening niet geschikt.

Oefening 21

Als oefening 20, maar nu met één hand vangen en werpen.

Oefening 22

Als oefening 20, maar de bal wordt ver boven het hoofd geplaatst. Deze oefening kan individueel tegen een muur worden uitgevoerd, bijvoorbeeld bij een circuitje.

Bij de volgende oefeningen staat wederom het werpen en vangen centraal. Het accent kan liggen op het aanleren van techniek, het onderhouden van de techniek, maar ook op conditie. De organisatie is per tweetal een werker en een aangever. Ieder tweetal een bal en enkele pilonnen. Na 30 seconden of 1 minuut van functie wisselen.

Oefening 23

De werker staat op 10 meter en loopt richting aangever. De bal wordt gegooid en met één hand in de loop gevangen en direct teruggegooid. De werker gaat terug naar beginpositie en loopt wederom op de aangever af. De bal wordt nu met de andere

hand gevangen en gegooid. Steeds opnieuw waarbij elke keer van hand wordt gewisseld.

Oefening 24

Als oefening 23, maar de bal wordt op hoofdhoogte gespeeld. In de sprong met één hand vangen (wellicht eerst met twee handen oefenen) en met één hand teruggooien.

De bal kan ook ruim boven de werker worden gegooid, zodat deze echt moet springen en volledig strekken om de bal te vangen.

Oefening 25

Op 6 meter voor de aangever staat een pilon. De werker loopt naar de pilon, maakt een uitwijkbeweging en loopt naar schuin achteren. De bal voor de werker aangooien. Direct terug spelen, weer naar de pilon lopen en de andere kant op uitwijken. De meeste spelers zullen de bal met een hand vangen en teruggooien, waarbij de buitenste hand wordt gebruikt.

Oefening 26

Als oefening 25, maar de bal laten overpakken op de binnenste hand en daarmee gooien. Let op de verplaatsing van het lichaamsgewicht op het binnenste been en het goed voorzetten van het andere been voordat wordt gegooid.

Oefeningen 25 en 26 kunnen ook met een slingerworp, onderhands dan wel bovenhands worden uitgevoerd. Leg de nadruk op de techniek en de verschillen.

Oefening 27

Als oefening 25, maar de bal wordt ‘creatief’ teruggespeeld. Dat betekent achter de rug langs, achter het hoofd langs, met een stuit of anders. De actie moet wel functioneel blijven.

Variaties

  • Gooi de bal ook als de werker bij de pilon is aangekomen, deze vangt en gooit met twee handen.
  • Oefening op grote afstand, veel kracht en uithoudingsvermogen worden vereist.
  • In plaats van in een V-vorm te lopen, de werker in een rechte lijn van links naar rechts laten lopen op 6 meter van de aangever. De aangever moet nauwkeuriger gooien omdat de ballijn vrijwel haaks op de looplijn is.
  • De aangever licht op de plaats laten bewegen, zodat bij het terug gooien meer concentratie wordt vereist van de werker.

Oefening 28

De werker beweegt op circa 4 meter voor de aangever heen en weer in een verdedigende houding, dus licht door de knieën. De werker vangt en werpt de bal met een hand, hierna ‘schuift’ hij de ander kant uit. De werper vangt en werpt de bal met de andere hand en gaat weer terug. De oefening wordt steeds in verdedigende houding uitgevoerd en belast dus met name de bovenbeenspieren. Besteed aandacht aan het goed vangen en werpen tijdens het ‘pijnlijden’.

Oefening 29

De werker ligt languit op de grond, de aangever op enkele meters voor de werker zit gehurkt. De werker moet de bal steeds vanuit lig terugwerpen naar de aangever. De oefening is met name bedoeld voor rug-, buik- en bovenarmspieren.

Oefening 30

De werker zit op de grond met opgetrokken knieën en de aangever staat op 5 meter. De werker vangt de bal, tikt de bal achter het hoofd liggend op de grond, komt weer in zittende positie en gooit de bal terug. In feite sit-ups met bal.

Oefening 31

De werker staat schuin rechts voor de aangever op circa 8 meter en loopt naar schuin links voor de aangever. Recht voor de aangever ontvangt de werper na een sprong de bal en de bal wordt direct teruggegooid. De werper moet hiervoor in de sprong een kwart draai maken. Daarna loopt de werker door naar schuin links.

Vandaar dezelfde oefening, maar nu met de andere hand.

Oefening 32

Als oefening 31, maar nu wordt de bal pas gegooid als de werker bij het draaipunt is, dus steeds schuin voor de aangever. De werker moet in plaats van een kwart draai maken in de sprong nu bijna een halve draai maken in de sprong.

Oefening 33

De aangever plaats de ballen met een boog in de ruimte, de werker moet ze vangen en direct teruggooien. Van belang is de inschatting van de aangever hoe ver van de werker kan worden geplaatst zonder dat de bal met stuit wordt gevangen.

Oefening 34

De aangever gooit de bal over de werker heen in de ruimte. De werker vangt de bal en plaatst direct de bal terug. De aangever staat, nadat de bal is gevangen door de werker, pal achter de speler en hij moet dus een halve draai maken om terug te kunnen gooien.

Oefening 35

De werker loopt heen en weer voor de aangever op circa 5 meter. Steeds als de werker voor de aangever is krijgt hij de bal en plaatst de bal achter de rug terug.

Oefening 36

Als 35, maar de bal met een slingerworp boven het hoofd terug gooien, de afstand kan worden vergroot.

Oefening 37

De werker start op drie meter voor de aangever, loopt naar schuin links van de aangever en ontvangt op circa 5 meter de bal en gooit terug. De werker loopt vervolgens naar schuin rechts van de aangever en ontvangt de bal op circa 9 meter en gooit direct terug. Vervolgens loopt de werker weer naar ver voor de aangever en ontvangt de bal op circa 15 meter en gooit direct terug, gevolgd door een sprint naar de beginpositie op drie meter voor de aangever. De werker loopt nu eerst naar schuin rechts voor de aangever en voert de oefening nogmaals uit, maar nu steeds de andere kant op. Herhaal deze oefening 2 maal en wissel dan van functie.

De volgende oefeningen zijn voor viertallen en vormen basisoefeningen voor het vangen en gooien. Per viertal een bal en twee pilonnen die circa 10 meter van elkaar staan. Twee spelers bij pilon A en twee spelers bij pilon B. De oefeningen kunnen ook met drietallen worden uitgevoerd, maar dan moet de bal beginnen bij de pilon waar twee spelers staan.

Oefening 38

De speler met de bal speelt de bal met twee handen naar de speler bij de andere pilon, loopt de bal achterna en sluit aan bij de spelers bij die pilon. Een simpele en herkenbare oefening. Snelheid ontwikkelen vanuit de worp is een mogelijke aandachtspunt om bij wat oudere spelers toch deze oefeningen aantrekkelijk te houden.

Variaties: welk tweetal kan het snelst 50 keer heen en weer gooien, valt de bal dan weer opnieuw beginnen te tellen. Wie kan het vaakst overspelen zonder de bal te laten vallen.

Oefening 39

Als 38, maar werpen met één hand. Na verloop van tijd werpen met de andere hand.

Oefening 40

Als 39, maar ook vangen met één hand.

Oefening 41

Speler 1 gooit naar een tegemoetkomende speler 2, deze gooit de bal door naar de pilon waar hij vandaan kwam naar speler 3 (moet dus een halve draai maken) en sluit aan bij de andere pilon. Bij drietallen begint het tweetal nu zonder bal. Variaties zoals oefening 38 t/m 40.

Oefening 42

Speler 1 gooit de bal naar de tegemoetkomende speler 2 die niet recht naar de bal, maar schuin naar rechts van de speler loopt. Speler 1 loopt naar de overkant, ontvangt halverwege de bal van speler 2 en gooit deze naar de pion waar hij vandaan kwam, speler 4, en sluit achter de andere pion aan waar alleen speler 3 staat. Speler 2 sluit achter speler 4 aan.

Speler 1 moet een kwart draai maken om de bal van speler 2 naar speler 4 te kunnen gooien, deze draai moet in de lucht kunnen worden uitgevoerd.

Oefening 43

In een vierkant opstellen met een onderlinge afstand van circa 10 meter. Bij grotere groepen kan in vijftallen worden gewerkt met vijfhoeken.

Speler 1 gooit de bal naar speler 2, loopt achter de bal aan en krijgt bij speler 2 de bal weer terug. Speler 1 gooit naar speler 3, wederom achter de bal aan, ontvangst en gooit naar speler 4. Bij speler 4 moet speler 1 een lange diagonale bal gooien naar speler 2 en speler 1 kan zijn oorspronkelijke positie innemen. Speler 2 vervolgt inmiddels de oefening.

Deze oefening ieder twee maal laten uitvoeren en dan de andere kant op laten gooien.

Wie is er het eerst klaar? Waak voor ongelijke afstanden.

Oefening 44

Twee spelers gooien naar elkaar en twee spelers proberen de bal te onderscheppen. De gooiende spelers hebben een beperkte ruimte, bijvoorbeeld ieder een cirkel met een diameter van 5 meter. Zodoende wordt het gooien op een bewegende speler en het ontwijken van een tegenstander getraind. Als bal 5 maal is onderschept, wisselen van functie.

Oefening 45

Een speler werpt de bal naar een medespeler op circa 4 meter en probeert direct de medespeler het gooien te belemmeren. Dat kan door inspringen, door laag te verdedigen of door zich breed te maken. De werper kan direct naar 2 andere medespelers gooien en tracht daar het gooien te belemmeren.

De onderhandse slingerworp wordt met name gebruikt om uit de worp ook snelheid te creëren voor een actie richting korf, waarbij een inspringende tegenstander voorbij wordt gelopen nadat de bal onderhands is gegooid.

Voor rechtshandige is de uitgangshouding een schredestand met de linkervoet voor en de knieën lichtgebogen. Een hoog aankomende bal is een ideale inzet voor deze worp. De bal wordt hoog gevangen en in een cirkelvormige baan gebracht, die verloopt via achter naar beneden vóór het lichaam. De arm is hierbij soepel gestrekt en de bal ligt op de gespreide vingers. De bal wordt losgelaten net nadat de rechterarm loodrecht naar beneden wijst. Het lichaamsgewicht is aanvankelijk op het voorste been. Tijdens de cirkelbeweging van de arm verplaatst zich dat naar achteren, om tenslotte weer te eindigen voor het voorste been.

Onderhandse slingerworp uit eenhandig vangen

Om de worp te gebruiken om snelheid te maken voor een loopbeweging gaat het linkerbeen naar voren op het moment dat de rechterarm loodrecht naar beneden wijst (vanaf stap 6 in de afbeelding). Bij het strekken van de rechterarm (de bal is dus reeds gegooid) komt de linkervoet weer op de grond en is de eerste pas naar binnen gemaakt.

In de wedstrijd wordt vaak met twee handen gevangen. Nadat de bal met twee handen is gevangen wordt de bal met de rechterhand van borsthoogte naar omlaag gebracht tot kniehoogte en achter het lichaam weer omhoog gebracht, waarbij de arm tijdens de beweging naar achteren gestrekt wordt en aan het eind horizontaal staat. De verdere techniek is gelijk aan het onderhandse slingerworp uit eenhandig vangen.

Onderhandse slingerworp uit tweehandig vangen

Veel voorkomende fouten

  • Het moment van loslaten is foutief, waardoor de juiste richting van de worp verloren gaat.
  • De arm wordt niet gestrekt gehouden.
  • De snelheid van de ronddraaiende arm is te hoog, waardoor men de bal verliest of verkeerd plaatst.

De bovenhandse slingerworp wordt veelal toegepast als de tegenstander groter is dan de speler of men wil een boogbal (lobje) gooien.

Men staat in een niet te grote schredestand, linkervoet voor. De knieën zijn gebogen. Men staat dwars op de werprichting. De bal wordt gevangen en in één cirkelbeweging met gestrekte arm van onderaf naar achter het lichaam en vervolgens tot boven het hoofd gebracht en even voorbij het hoofd los gelaten, juist nadat het hoogste punt is bereikt. Tijdens het lange balcontact wordt de handelingssnelheid opgevoerd om de bal de gewenste snelheid mee te geven.

Bovenhandse slingerworp uit tweehandig vangen

Veel voorkomende fouten

  • De bal wordt te vroeg losgelaten, een te hoge en te korte bal is het gevolg.
  • De bal wordt te laat losgelaten, een te lage en te korte bal is het gevolg.
  • De arm wordt niet gestrekt gehouden.
  • De handelingssnelheid is te laag, waardoor de bal van de hand dreigt te vallen, met name als de bal achter het lichaam is.

Een zijdelingse slingerworp is over het algemeen onnauwkeurig en ongecontroleerd. Voor de volledigheid wordt het hier beschreven, maar het aanleren van deze worp verdient geen prioriteit. De bovenhandse slingerworp is een beter alternatief.

Nadat de bal gevangen is, wordt hij met gestrekte arm horizontaal naar achteren gebracht. Bij een rechtshandige werper staat het linkerbeen voor. Het lichaamgewicht rust op het rechterbeen, dat licht gebogen is. Het lichaam staat dwars op de werprichting. De bal wordt nu met een gestrekte arm horizontaal

weggeslingerd, waarbij de kracht komt uit strekking van het rechterbeen en de rompdraaiing naar voren.

Gesponsorde link - liever geen advertenties?

Als een aanvaller een verdediger is gepasseerd kan hij een doorloopbal nemen. De aanvaller heeft bij een doorloopbal bijna altijd een grote voorwaartse snelheid. Het schot moet echter nauwkeurig zijn en dit heeft voor de aanvaller twee belangrijke consequenties:

  • De aanvaller moet zijn grote voorwaartse snelheid, als de situatie het toelaat, wat afremmen. Ook de snelheid van de geschoten bal zal hierdoor afnemen. De bal zal niet zo snel over de korf heen vliegen.
  • De speler moet zijn voorwaartse snelheid (horizontale verplaatsing) voor een deel omzetten in hoogte (verticale verplaatsing), hierdoor komt hij dichter bij de korf en zal het scoren gemakkelijker worden.


De meeste spelers zullen een voorkeur hebben met welk afzetbeen de doorloopbal wordt genomen. Bij de laatste passen van het aanlopen voor de doorloopbal houdt de aanvaller rekening met het goed uitkomen voor het juiste afzetbeen. Soms zie je enige kleinere passen en sprongetjes of hinkjes. Het uitkomen op het juiste afzetbeen geeft de aanvaller vertrouwen. Net zoals spelers een voorkeur hebben om met een bepaalde hand te gooien. Zeker in de top is het van belang dat de doorloopbal met beide benen kan worden genomen.

Beginhouding

De laatste passen zijn voorbereidend op de doorloopbal. De armen reiken licht gebogen naar de bal. De laatste pas is een zogenaamde ‘rempas’. Deze pas vangt veel van de voorwaartse snelheid op en zet een deel daarvan om in hoogte. Vele spelers hebben hiervoor ook een hinkpas.

Verloop

Door het vangen van de bal zijn de armen van de aanvaller licht gebogen. Vaak haalt hij de bal, voordat deze omhoog gebracht wordt, eerst nog even een kort, klein stukje naar beneden. Bedoeling daarvan is het creëren van een langere contactbaan.

Daarna brengt hij de bal rechtlijnig omhoog richting korf. Hiervoor wordt het zwaaibeen actief gebruikt om de voorwaartse snelheid om te zetten in hoogte. De bal moet zo dicht mogelijk bij de korf komen (armen strekken) en zo laat mogelijk worden losgelaten.

Eindhouding

Volledig gestrekte armen. De vingers wijzen de bal na. De schutter beëindigt de sprong door een landing op het niet-afzetbeen (vooral bij grote snelheden) waarbij wordt in geveerd. om de neerwaartse beweging op te vangen. Afhankelijk van de situatie komt de aanvaller tot stilstand onder de korf of loopt hij op snelheid door.

Doorloopbal

Veel voorkomende fouten

  • De aanvaller buigt de armen niet bij het vangen
  • De aanvaller overtreedt de loopregel
  • Er is geen actieve inzet van het zwaaibeen. Hierdoor ontstaat te weinig hoogte
  • Armen worden onvoldoende gestrekt, waardoor het ‘geleiden’ van de bal te kort is
  • De bal wordt niet rechtlijnig naar de korf gebracht, maar vanuit de zijkant van het lichaam met een slingerbeweging
  • Het neerkomen gaat niet gepaard met inveren van het been waarop men landt. Hierdoor kunnen knieblessures ontstaan.
  • Laatste pas is te groot, waardoor de afzet moeilijk veel hoogte kan krijgen.


Oefening 2

Verdeel de spelers over zoveel mogelijk korven. De spelers staan in een rij voor de korf op circa 6 meter. Iedere speler heeft een eigen bal. In een rustige looppas de bal in twee handen onderhands naar de korf brengen. De speler vangt zelf de bal. Lopen met de bal is toegestaan bij deze oefening. Besteed vooral aandacht aan de positie van de bal en armen.

Oefening 3

Als oefening 2, maar de speler gooit de bal iets omhoog en vooruit, waardoor de speler de bal moet vangen door een stap te doen. Vervolgens stapt hij door, met de bal in de handen op middenrif hoogte en werpt na de afzet de bal door de korf. Kijk niet zo nauw als er een pas wordt gelopen, de strekking van de armen en positie van de bal t.o.v. lichaam staan centraal.

Het ritme waarin wordt gegooid, gelopen, gevangen en geschoten gaat in het begin niet vloeiend. Oefen lang en stimuleer het zoeken naar het ritme, desnoods met een paar voorbeelden tussendoor om het juiste ritme aan te geven.

Oefening 4

Een speler achter de paal, een speler voor de paal op circa 2 meter en een doorloopbalnemer. De doorloopbalnemer wordt aangegeven door de speler voor de paal, de afvanger vangt de bal na de doorloopbal. Doorloopbalnemer wordt afvanger, afvanger wordt aangever en aangever sluit achter aan in de rij van doorloopbalnemers. Maximaal 4 spelers per korf.

Het op tijd aangeven van de bal en het zuiver aangeven is een probleem. De aangever ervaart zich niet als medewerker voor de schutter. Het aangeven wordt niet ervaren als belangrijkste voorwaarde voor een geslaagde doorloopbal. Dit aangeven

kan worden aangeleerd door de doorloopbalnemer de bal eerst van de hand af te laten pakken van de aangever. Hierover later meer.

De organisatie van de oefening waarbij de rollen rouleren, eist in het begin concentratie.

Oefening 5

Het aanleren van de hink is ook droog aan te leren. Laat de spelers op rij over de lengte van het veld in rustig tempo lopen. Op teken van de trainer omhoog springen waarbij met één been wordt afgezet. Laat de spelers bewust worden welk been ze afzetten.

Vervolgens moet het afzetten worden voorgegaan met een hink op het andere been en een korte pas. De armen worden bij de sprong omhoog gestrekt, net als bij de doorloopbal. Het ritme van hink-stap-sprong kan zo worden geoefend zonder bal.

Als het ritme goed wordt beheerst, kan de bal worden gebruikt, nog geen korf. Laat de bal in de loop ca. 2 meter vooruit gooien en bij het stuiteren van de bal kan de hink worden ingezet. Tijdens de hinkfase wordt de bal gevangen. Daarna volgen de pas en een kleine opsprong, waarbij de bal met de handen omhoog wordt gebracht.

Oefening 6

Voor het aangeven van de bal is er een tussenstap, namelijk de doorloopbalnemer de bal laten pakken uit de hand van de aangever, die de bal opzij van het lichaam op één hand houdt. De doorloopbalnemer neemt voor het afpakken van de bal de hinkpas en gooit de bal in de korf. Als het afpakken goed verloopt kan de aangever de bal toewerpen van korte afstand.

Oefening 7

De aangever verder van de doorloopbalnemer de bal laten aangeven. Doe dit door een combinatie extra. De bal van de aangever (die zojuist heeft afgevangen) wordt naar de doorloopbalnemer op circa 7 meter gegooid. De aangever neemt een positie in op circa 4 meter schuin voor de korf. De bal wordt teruggegooid naar de aangever, de doorloopbalnemer loopt in een rechte lijn naar de korf. De bal wordt aangegooid. Zie figuur 1.

De aangever loopt uit de korfzone en ontvangt de bal. Om aan te geven moet er ruimte worden overbrugd. De aangever moet onderhands aangeven met buitenste hand, in dit voorbeeld de rechterhand. De doorloopbalnemer blijft met de voeten richting korf lopen, draait het bovenlichaam heel licht om de bal goed te ontvangen tijdens de hink of voorlaatste pas.

De strafworp is vaak een beginoefening voor de doorloopbal. In deze map wordt daarvan afgeweken en wordt de doorloopbal apart behandeld. De strafworp is namelijk de enige doelkans die niet afhankelijk is van de positie van de tegenstander en heeft steeds dezelfde uitgangspositie. Slechts bij buitenwedstrijden kunnen de weersomstandigheden van invloed zijn op de wijze van het nemen van de strafworp.

Beginhouding

Een lichte spreid/schrede stand met licht gebogen knieën en het lichaamsgewicht op het voorste been. De bal wordt met beide handen vóór het lichaam gehouden op heuphoogte. De handen houden de bal vast zoals bij afstandschot is beschreven.

Verloop

De beweging wordt ingezet door strekking van het voorste been en een gelijktijdig vooroverbuigen van het lichaam, waardoor het lichaam zich in de richting van de korf beweegt. Het achterste been fungeert als zwaaibeen. De soepel gestrekte armen worden omhoog gebracht en begeleiden de bal zo lang mogelijk in zijn baan naar de korf om de nauwkeurigheid te vergroten. Landing op het zwaaibeen, armen en de vingers wijzen de bal na.

Strafworp

Veel voorkomende fouten

  • Armen onvoldoende gestrekt, waardoor de bal niet lang genoeg wordt begeleidt
  • Te krachtige afzet, waardoor een goede schietbalans verloren gaat
  • Armen worden niet even krachtig gestrekt
  • Achterste voet komt op de grond voor de bal de handen heeft verlaten, omdat de afzetbeweging te kort is (overtreding van de loopregel)
  • Lichaamsgewicht wordt onvoldoende op het voorste been gehouden tijdens beginhouding, neiging om de voorste voet te verplaatsen is ook een overtreding van de loopregel


Oefening 1

De strafworp kan direct in zijn geheel worden geoefend. De druk bij de strafworp van het moeten scoren kan op verschillende manieren worden nagebootst: tien op rij scoren waarbij opnieuw moet worden geteld als er wort gemist. Welke groep komt tot

de hoogste serie gescoorde strafworpen, score is twee punten en missen 1 punt € wie heeft als eerste 20 punten, welke speler scoort het meest in 10 pogingen. Bij deze oefening draait alles om de techniek. Ook in de wedstrijd is alleen de techniek doorslaggevend of dat er wel of niet gescoord wordt. Er is geen sprake van een tijdsfactor of een verdediger. De oefeningen zo inrichten dat niet de tijd, maar het rendement belangrijk is.

Beginsituatie

Het spel wordt gespeeld met twee teams van ieder vier dames en vier heren. Het veld is verdeeld in twee vakken van ieder 20 bij 20 meter (pupillen aangepast, 15 bij 15).

Spelbedoeling

Welk team scoort het meeste doelpunten? Het aanvallen (scoren en samenspelen om te scoren) is door de verdeling van het veld in vakken gescheiden van het verdedigen (voorkomen van scoren, storen in de opbouw en onderscheppen van de bal).

Spelregels

Niet lopen met de bal, niet alleen spelen, alleen uit vrije positie doelpogingen ondernemen. Wisselen na twee doelpunten of na vijf minuten.

Aanpak

De trainer geeft voortdurend aanwijzingen. Aandachtspunten voor de coaching zijn:

  • Gericht vrijlopen in de aanval om tot scoren te komen of om te helpen de bal in de richting van de paal te spelen (opbouwen en/of afvangen). Er kan hierbij al sprake zijn van een eerste taakverdeling. Een taakverdeling in het vak houdt een verdeling van posities in, die na iedere actie weer kan veranderen. In korfbaltermen: vrijspelen in de paalzone, aanvallen op schotafstand, steunen (aangeven) bij de paal, afvangen (rebound pakken) onder de paal.
  • Het vrijlopen in het aanvalsvak om de bal vanuit het verdedigingsvak te kunnen ontvangen. Het probleem is dat alle spelers naar de lijn (naar de bal) toe willen. Hier helpt alleen continu coachen. Er kan hierbij wederom sprake zijn van taakverdeling. Wie haalt de bal op en wie loopt er vrij in de paalzone.
  • Het vrijlopen in de verdediging om na een onderschepping de bal te transporteren naar het aanvalsvak. Centrale aanwijzingen zijn hier: niet te ver gooien en gericht

werpen naar een medespeler die vrij staat en dichter bij het aanvalsvak is. Niet richting korf gooien in het verdedigingsvak.

  • Bij het verdedigen coacht de trainer de verdedigers op het voorkomen van doelpunten door ze gericht de tegenstander te laten volgen. Tegelijkertijd coacht hij ze op het onderscheppen van de bal door ze de bal te laten volgen. Het voorkomen van doelpunten en het onderscheppen dient een jonge speler in combinatie te leren.
  • De trainer beïnvloedt het gebruiken van de goede techniek. Met name geeft hij aanwijzingen op het correct uitvoeren van de bovenhandse strekworp op een stilstaande en bewegende speler. Let op het gebruik van de juiste hand in combinatie van het standbeen ten opzichte van de spelrichting.
  • De technieken, de middelen waardoor een leuk spel kan ontstaan zijn:
  • Afstandschot, doorloopbal en strafworp
  • Bovenhandse strekworp, in vrije positie en met een verdediger
  • Tweehandig vangen, stilstaand en in de loop

De vaardigheid wordt pas echt beheerst, wanneer de technieken in de wedstrijdsituatie correct en op het juiste moment wordt toegepast.

  • In het spel kunnen speciale regels worden ingevoerd, die gericht zijn op techniekverbetering of op taakverdeling, zoals:
  • Er mag alleen met één hand worden samengespeeld
  • Als een team de bal laat vallen gaat de bal naar de tegenpartij
  • Er worden spelers aangewezen die een speciale taak krijgen: steunen, afvangen, aanvallen.
  • De trainer blijft trainer, ook als hij deelneemt aan het spel. Tijdens het spel kan hij ook richting geven.

Wat kun je zien?

  • In het begin spelen de spelers dicht bij elkaar, ‘kluitjeskorfbal’.
  • Het opbrengen van de bal in de richting van het aanvalsvak na een onderschepping, wordt vaak gedaan door wild te werpen in die richting in plaats van het gericht gooien naar een medespeler.
  • De aanvallers gaan staan wachten op de bal aan de lijn.
  • Veel techniekfouten door druk van de tegenstander.

Beginsituatie

Het spel wordt gespeeld in een vak van 20 bij 20 meter. In iedere hoek van het vak is een driehoek gemarkeerd met korte zijden van 7 meter. De korf staat in het midden van het vak. Er spelen partijen van ieder vier spelers, de overige spelers zijn wisselspelers.

Spelbedoeling

Welk team scoort de meeste punten? Probeer door samenspel in scoringspositie te komen en probeer te scoren. Probeer te verhinderen dat de tegenpartij veel punten kan scoren.

Spelregels

Je mag niet lopen met de bal, je mag niet alleen spelen, de bal mag niet uit de handen van de tegenstander of medespeler worden genomen. Je mag niet verdedigd schieten. Scoort een partij vanuit de gemarkeerde driehoek, dan telt de score dubbel. Wanneer de bal wordt onderschept, dient de bal eerst naar een van de vier hoeken te worden gespeeld alvorens men mag gaan aanvallen. Er mag vanuit de wisselzone onbeperkt worden gewisseld. Spelers mogen weer terug in het spel worden gebracht.

Aanpak

De trainer verdeelt de groep in twee teams. De trainer kan zich beperken tot het geven van aanwijzingen en het aanmoedigen. Afhankelijk van de grootte van de groep kunnen er meerdere veldjes worden uitgelegd. Het spel kan zonder veel voorbereiding worden gespeeld. De trainer kan de spelregels aanpassen aan het niveau of de beleving.

Wat kun je zien?

Veel actie, waarbij veel elementen van het korfbal op een functionele manier worden geoefend. Het belonen van de score vanuit de driehoeken kan voor de verdedigende tactiek consequenties krijgen als er veel van afstand raak geschoten wordt. Het spel kan aanleiding geven tot voorverdedigen en een strikt 1:1 duel.

Beginsituatie

Het spel wordt gespeeld door 2 partijen die tegen elkaar heen en weer spelen tussen 2 korven die op ongeveer 15 meter afstand van elkaar staan. De 2 teams bestaan uit vier spelers of tenminste drie spelers. Grotere teams is niet aan te bevelen vanwege de beperkende ruimte waarin men dan kan vrijlopen.

Spelbedoeling

Welk team scoort de meeste doelpunten? Probeer de bal te veroveren om te kunnen aanvallen, probeer door samen te spelen in scoringspositie te komen en probeer te scoren.

Spelregels

Je mag niet lopen met de bal, je mag niet alleen spelen, de bal mag niet uit de handen van de tegenstander of medespeler worden genomen. Andere regels als verdedigd schieten of snijden kunnen worden weggelaten.

Aanpak

Verdeel de groep in twee partijen van gelijk aantal spelers. De trainer kan meespelen met de partij in balbezit om via eigen inbreng voor een goed spelverloop te zorgen. Het meespelen van 2 trainers is stimulerend voor de spelers en geeft mogelijkheid tot correctie tijdens het spel.

In de loop van het spel kunnen er regels bijkomen die leiden tot het gericht oefenen van de basisvaardigheden. Voorbeelden zijn:

  • Er mag alleen met één hand worden geworpen en doelpogingen doen de spelers altijd met 2 handen
  • Er worden spelers aangewezen met speciale taken, spelers die helpen en spelers die proberen te scoren.

Wat kun je zien?

  • De beginnende speler begrijpt korfbal direct
  • Er is veel gelegenheid om korfbalspel te beoefenen, daarmee ook de basisvaardigheden als vrijlopen, aanvallen en verdedigen
  • Al spelend komen korfbaltechnieken aan de orde
  • Uit het spel kan worden gelezen wat gericht moet worden geoefend in vereenvoudigde  spelelementen

voor de korfbaltrainer: Yoursportplanner one

Korfbaltrainingen

Eenvoudig korfbaltrainingen maken en bewaren. Bekijk de trainingen in de mobiele app op het trainingsveld.

Naar de korfbaltrainingen

Korfbaloefeningen

Bestaande korfbaloefeningen zoeken. Je eigen oefeningen maken, bewaren en hergebruiken. Oefeningen delen.

Naar de korfbaloefeningen

Team

Diverse tools voor de organisatie rondom je korfbalteam(s). Wedstrijden, agenda, rijschema en meer...