Korfbaloefeningen voor de techniek algemeen

Advertentie

In het kort: loopoefening met sprinten en wenden en keren waarbij de spelers tot de bodem moeten gaan.

Organisatie: Er worden een vijftal lijnen uitgelegd met een onderlinge afstand van circa 5 meter. In de zaal wordt verteld om welke lijnen op de vloer het gaat.

Iedereen stelt zich op achter de startlijn. Iedereen start tegelijk. Er wordt gesprint naar de eerste lijn op 5 meter. Daar stoppen, keren en terugsprinten naar de startlijn.

Dan naar de derde lijn (op 15 meter) en weer terug en dan nog één keer heen en terug naar de laatste lijn. Eventueel bij iedere lijn de grond aantikken.

Men moet 'tot de bodem' gaan (dat zal ook wel lukken). Deze oefening kan een aantal keren herhaald worden, maar dan moet er duidelijk rust tussen in zitten. In deze rust kan men bijv. met elk vak één vrije bal nemen. Daarna weer opstellen achter de lijn en sprinten enz. tot iedereen van het vak één vrije bal genomen heeft.

Variaties:
Dezelfde oefening maar nu met drietallen in estafettevorm. Welk groepje is het eerst klaar?

Blokjes rapen. Als a., maar nu worden op de plaats van de lijnen blokjes gelegd, die door de kinderen één voor één opgehaald moeten worden. Wie is het snelst klaar?

Het 'parcours' is hetzelfde, maar nu wordt er afwisselend vooruit- en achteruit gelopen of er wordt gelopen met kruispassen, met loopsprongen,


In het kort: oefening ter vaststelling van 'de conditie'. Organisatie: parcours uitzetten met een bekende lengte, bijvoorbeeld 400 meter met om de 50 meter een pilon

In een tijdsbestek van 12 minuten moeten de spelers proberen een zo
groot mogelijke afstand lopend af te leggen. De afgelegde afstand is een
graadmeter voor 'de conditie', beter geformuleerd: het
uithoudingsvermogen voor wat betreft het lopen. Kenneth Cooper
hanteerde ter beoordeling de volgende tabel (voor spelers boven de 30
gelden kortere afstanden):

De Coopertest is zeer omstreden. Enerzijds omdat veel korfballers er
een hekel aan hebben (bang om moe te worden?), anderzijds om dat
de test geen goede graadmeter is voor de korfbalconditie. De
sprongkracht, het herstelvermogen na een langdurige aanval, de
zuiverheid van het schot op grote afstand aan het eind van een
wedstrijd zijn allemaal zaken die in een wedstrijd van groot belang zijn
en door de test niet worden gemeten.

Als indicatie voor iemands basisconditie aan het begin van het seizoen
kan de Coopertest echter wel toegepast worden. Overigens moeten de
getallen uit bovenstaande tabel ook dan met enige soepelheid
gehanteerd worden. Persoonlijk vind ik 2700 meter voor dames
inderdaad een heel eind, maar de 2800 meter voor heren nog niet erg
bijzonder ver.

afstanden conditie
zeer slecht
minder dan 1500 minder dan 1600
slecht
1500 - 1800 1600 - 2000
redelijk
1800 - 2200 2000 - 2400
goed
2200 - 2700 2400 - 2800
zeer goed
meer dan 2700 meer dan 2800

Advertentie

In het kort: beoefenen van diverse loop- en springvormen in een kringopstelling. Organisatie: alle spelers pakken elkaar bij de handen vast en vormen een grote kring. Dan laten ze elkaar los en doen een aantal passen naar achteren. De spelers worden op volgorde genummerd: 1, 2, 1, 2 enz

De nummers 1 lopen in snel tempo al slingerend om de nummers 2 heen, de kring in het rond, de eerste wordt dus links gepasseerd, de tweede rechts, de eerste weer links enz. Na drie rondjes volgen de nummers 2.

Hetzelfde als bij a., maar nu hinkend op het rechterbeen. Na één rondje wisselen en op het linkerbeen rondgaan. Daarna volgen de nummers 2. Nog een keer herhalen.

Bokspringen: de nummers 2 gaan bokstaan, de nummers 1 springen er over heen. Na 2 rondjes wisselen.

Als c., maar de bokken gaan nog wat hoger staan. Het tempo moet nu iets rustiger worden, het komt er op aan dat er een hoge sprong met een krachtige afzet plaatsvindt.

Nogmaals oefening a., maar nu de andere kant om lopen.

De nummers 2 staan in ligsteun, de nummers 1 springen er over heen met een lange en hoge sprong (een soort loopsprong); de afzet vindt plaats met één been. Na drie rondjes wisselen. Daarna dezelfde oefening nogmaals, maar nu afzetten met het andere been.

De nummers 2 gaan languit liggen op de buik (of eventueel in hurkzit). De nummers 1 springen er over heen, terwijl ze met 2 benen afzetten. Tussen de nummers 2 wordt ook steeds gesprongen (huppen). Na twee rondjes wisselen.

In het kort: al rondlopend diverse vormen van lopen, stoppen, draaien en springen beoefenen. 

Organisatie: op het veld een 'parcours' uitleggen (met pilonnen of met korven in een grote cirkel). In de zaal lopen we gewoon rond. Verder is een fluitje, zeker op het veld, erg handig.

In rustige looppas rondlopen, waarbij de groep zich over het hele parcours verspreidt. De aldus ontstane tussenruimte moet gedurende de hele oefening zo goed mogelijk gehandhaafd worden. Op teken van de trainer snel draaien en de andere kant uitlopen.

Idem, maar nu de andere kant omdraaien. De eerste passen na de draai worden met een klein sprintje afgelegd (korte pasjes).

Achteruit rondlopen. Op teken van de trainer weer draaien en de andere kant op achteruit lopen. Afwisselend beide kanten om draaien.

Met kruispassen rondlopen. Ook de andere kant op.

Looppas rond. Op teken van de trainer snel gaan zitten (of liggen), weer opstaan, een kort sprintje trekken en weer verder in looppas.

Tempo iets hoger dan looppas. Als er 1 keer kort wordt gefloten dan een sprintje aantrekken. Wordt er 2 keer zeer snel achter elkaar gefloten, dan snel enkele meters achteruit lopen. Opletten geblazen, er kunnen botsinkjes optreden!

Looppas rond. Op fluitsignaal proberen de persoon voor je aan te tikken. Na maximaal 20 meter sprint weer verder in looppas.

De spelers gaan dichter achter elkaar lopen, de onderlinge afstand bedraagt circa anderhalve meter. Op teken van de trainer sprint de achterste van de rij al zigzaggend om de anderen heen naar voren. De trainer fluit om de 2 à 3 seconden. Kun je de persoon voor je inhalen?

Op teken van de trainer maken de spelers een hoge opsprong. Beurtelings met links en rechts afzetten.

Als i., maar nu moeten de armen bij de opsprong ook nog omhoog gebracht worden, zoals bij het afvangen van een bal onder de korf. Let er op dat men wel hoog blijft springen!

De spelers gaan hinkend op het rechterbeen rond. Na circa een halve minuut hinken op het linkerbeen.

Als k., maar nu moeten de sprongen zo groot mogelijk worden gemaakt. Probeer in zo weinig mogelijk hinken rond te komen!

De spelers mogen het op links en rechts hinken zelf enkele keren afwisselen. De spelers worden genummerd, afwisselend met 1 en 2. De nummers 1 gaan bokstaan. De nummers 2 springen over alle nummers 1 heen tot ze weer op hun eigen plek zijn. Daarna andersom.

Op teken van de trainer veren de spelers diep door de knieën, waarna ze een hoge opsprong maken (afzetten met twee benen, de armen ter ondersteuning mee omhoog zwaaien).

Organisatie: de spelers stellen zich allemaal op aan één zijde van het veld.

Voor met deze oefeningen begonnen kan worden, eerst een goede warming-up (zie hiervoor) met rekoefeningen uitvoeren. De reeks werd gedemonstreerd door Margriet Poiesz (die zowel atletiek- als korfbaltrainster is) tijdens één van de bijscholingen van district Noord van de NKTV

Steigerungen: lopen naar de overkant, waarbij het tempo geleidelijk wordt opgevoerd tot bijna-sprint snelheid

Skipping: een vorm van knieheffen in zeer hoog tempo. De romp is in loophouding en hangt dus zeker niet achterover. De voeten grijpen als het ware naar de grond. Deze oefening is gericht op de voorste zwaaifase.

Hakken / billen of hielaanslag in hoog tempo (oefening voor de achterste zwaaifase). De knieën hangen naar beneden, de romp is in loophouding

Met lange loopsprongen naar de overkant (oefening voor de achterste afzetfase). Let op een krachtige, lange afzet. Ook bij deze oefening grijpen de voeten a.h.w. naar de grond.

Je maakt een vak, hierin staat een aanvaller, de aanvaller moet zich in het vak blijven bewegen terwijl er een verdediger bij loopt. 1 iemand speelt steeds de bal aan. De verdediger kijkt naar de bal en probeert de bal te vangen. Elke keer dat de aanvaller de bal pakt komt er iemand bij in het vak. Wanneer de verdediger de bal pakt gooit hij hem terug en probeer je het opnieuw.

Advertentie

vangen-en-gooien-22 tal. Per 2 tal 1 bal en 1 pion. Speler A blijft op zijn plek staan. Speler B start bij de pion, die op ongeveer 10 meter afstand staat. Speler B rent naar speler A toe. Speler A gooit(met 1 hand) de bal naar speler B. Speler B blijft lopen totdat hij de bal gevangen heeft en stopt dan. B gooit de bal terug en loopt weer naar de pion om de oefening opnieuw te beginnen. na 10x wisselen.

Opdracht

Er staan allemaal dopjes 3x3. Elke groep gaat achter een pion staan die op 10 meter afstand staan. Elke groep krijgt zijn eigen kleur dopjes. Dan begint de eerste te rennen naar de dopjes die verder op staan en proberen zo snel mogelijk 3 op een rij te krijgen. Op het teken van de trainer mag de volgende persoon een dopje neerleggen. 

Advertentie

Opdracht
Het team verdelen we in twee gelijk groepen. en de twee groepen gaan elk achter een pilon staan.
Vervolgens staat er op 10 meter afstand een paal, de groep maakt vanaf de pilon die op 2 meter van de paal staat een schot. Als de kinderen hebben gescoord mogen ze door naar de pilon die achter de paal op 5 meter afstand staat.
Tot slot rennen ze 3 rondjes om de pilon en rennen ze terug naar hun rij.
Dan mag de volgende in de rij beginnen.

Variatie:
In plaats van een schot, maken ze een doorloopbal.
In plaats van een schot van 2 meter, maken ze een schot van 4 meter. 


Advertentie
Adres
Yoursportplanner
Korte Vondelstraat 7
1813 AC Alkmaar
Nederland
+31 72 7370224
Yoursportplanner is ontwikkeld door Crecca.
Crecca V.O.F.
KvK: 34137432
BTW: NL820715438B01
Volg ons
Nieuwsbrief
App
2015 - © Yoursportplanner