korfbaloefeningen voor
Algemeen


In het kort: oefening waarbij het accent ligt op het wegdraaien van de tegenstandster.

Organisatie: per viertal een bal. Er zijn twee vaste aangeefsters die ongeveer 12 meter uit elkaar staan. Eén van de aangeefsters heeft de bal.

a ) Aanvalster A staat ergens tussen de beide aangeefsters. Verdedigster V speelt tegen haar. A speelt voortdurend samen met de twee aangeefsters die stil blijven staan. A mag meerdere keren achter elkaar naar dezelfde aangeefster spelen. V probeert de bal te onderscheppen. Na circa 45 seconden wisselen van functie.

b ) Als a., maar nu mag de aanvalster niet twee keer achter elkaar naar de zelfde aangeefster spelen. De verdedigster probeert weer de bal te onderscheppen, maar als A de bal ontvangen heeft, dan laat ze A de bal wel gemakkelijk afspelen naar de volgende aangeefster. De essentie van deze oefening is dat A moet proberen zich in een betrekkelijk kleine ruimte vrij te spelen van de verdedigster die haar voortdurend volgt. Vertel dat de aanvalster niet in één tempo moet lopen, en dat ze plotseling van looprichting moet veranderen om vrij te lopen (kappen en draaien).

c ) De oefening is hetzelfde als bij a., maar de opstelling wordt gewijzigd (zie figuur). De aanvalster moet achter de lijn blijven, die op 5 meter van de aangeefsters ligt. Om zichzelf vrij te spelen mag ze in alle richtingen lopen. 

Variatie: oefening c. is voor velen eigenlijk al knap lastig. Om het iets gemakkelijker voor de aanvalster te maken, kun je beide aangeefsters een bal geven. Of: laat de beide aangeefsters ook samenspelen, de verdedigster weet dan niet hoe ze zich het beste kan opstellen, omdat ze niet weet wie de bal heeft.

d ) Leg nog een lijn uit, evenwijdig aan de andere met drie meter tussenruimte. Verder als c., maar nu heeft de aanvalster slechts een drie meter brede strook waar ze niet buiten mag komen. Het komt er nu wel heel erg op aan om goede scherpe bewegingen te maken, het tempo te wisselen enz. Een diepe bal is nu immers onmogelijk! De verdedigster laat de aanvalster wel de bal weer naar de aangeefster toe spelen (omdat het in deze oefening om het vrijlopen gaat).

e ) Als d., maar nu maakt de verdedigster ook het afspelen van de bal door de aanvalster naar de aangeefsters moeilijk. De aanvalster kan -om de bal goed af te spelen -kiezen uit een bovenhandse slingerworp, uit pivoteren enz.

In het kort: eenvoudige oefening in samenspelen, waarbij het gaat om het in de loop verwerken van de bal en het goed lopen.

Organisatie: groepjes van circa 4 personen hebben een bal en krijgen een deel van de zaal of het veld toegewezen.

a ) De speelsters krijgen de opdracht om elkaar de bal in willekeurige volgorde toe te werpen. Iedereen is daarbij voortdurend in beweging: de bal moet in de loop worden gevangen en zo snel mogelijk weer worden afgespeeld. De bal mag geen enkele keer op de grond vallen!

b ) Eén van de speelsters is gedurende 30 seconden de 'werkster': zij moet in hoog tempo lopen, en alle ballen worden voortdurend naar haar teruggespeeld. Na 30 seconden is de volgende aan de beurt. In welk groepje laat men de bal geen enkele keer vallen?

c ) Als oefening a., maar nu mag de bal alleen worden gespeeld naar speelsters die met een klein sprintje op de bal toe komen lopen. Maak de speelsters duidelijk, dat wanneer ze in de wedstrijd zo lopen, verdedigsters nauwelijks kans hebben om de bal te onderscheppen. Tenzij er voorverdedigd wordt, maar daarvoor is onderdeel d.:

d ) De speelsters spelen weer samen, maar er mag nu alleen gegooid worden naar speelsters die van de bal af bewegen en dus de vrije ruimte in lopen. Ook een individuele vaardigheid: het nemen van een strafworp

e ) Afwisselend onderdeel c. en d.: er mag alleen naar speelsters bij dit onderdeel moet men niet te snel gegooid worden, die òf duidelijk naar de bal toe komen lopen òf willen spelen, anders zullen er veel juist heel duidelijk de vrije ruimte in bewegen. ballen niet goed aankomen. Het is zelfs zo, dat de oefening waarschijnlijk beter

f ) Als d., maar nu moet er een vóórbeweging gemaakt worden: de zal verlopen als er licht verdedigende speelsters dreigen eerst naar de speelster met de bal toe tetegenstandsters bij komen! lopen, maar na enkele passen stoppen ze, en lopen ze de andere kant uit, de vrije ruimte in.

Variaties:

1 ) Alle onderdelen kunnen natuurlijk ook heel goed met tegenspeelsters worden uitgevoerd. Er kan dan nog gekozen worden voor 'meespelen' tot 'probeer zoveel mogelijk ballen te onderscheppen'.

2 ) De onderdelen a. tot en met e. maar nu zonder dat elk groepje een eigen gebied heeft: alle speelsters lopen door elkaar, dus het is opletten geblazen! 

Vrijlopen: voorwaarde voor samenspel

In het kort: beoefenen van allerlei handigheidjes met de bal, voornamelijk met als doel het aankweken van 'balgevoel'.

Organisatie: iedere speler heeft een bal, ieder loopt vrij door de hele ruimte. Als er onvoldoende korfballen zijn, is het niet erg bezwaarlijk om ook volleyballen, basketballen of zelfs tennisballen te gebruiken.

a ) De spelers lopen al stuitend met de bal door de zaal.

b ) Het stuiten moet beurtelings met links en met rechts geschieden.

c ) De bal wordt (hoog) opgeworpen en in de sprong gevangen. Eerst vanuit stand hoog opspringen en de bal op het hoogste punt pakken, later ook vanuit de loop.

d ) Als c., maar met 1 hand vangen (afwisselend met links en met rechts). Ook dit onderdeel in de loop laten beoefenen.

e ) De spelers houden de bal voor het lichaam, gooien de bal met een klein boogje achter over het hoofd en proberen (zonder zich om te draaien!) de bal achter het lichaam te vangen.

f ) Als e., maar nu terwijl de spelers wandelen of dribbelen door de zaal.

g ) De bal wordt opgeworpen, de spelers maken snel een hele draai, en vangen de bal weer op.

h ) De bal wordt opgeworpen, de spelers gaan zitten, staan meteen weer op en vangen de bal voordat deze op de grond valt.

i ) De spelers staan stil. Ze werpen met de gestrekte rechterarm de bal met een boogje over het hoofd en vangen de bal met de linkerhand en omgekeerd. Dit ook in de loop laten doen.

j ) De bal om de buik draaien door deze steeds van de ene op de andere hand over te pakken. (de bal mag het lichaam niet raken).

k ) De bal maakt een kurkentrekkerbeweging om het lichaam: als j, maar beginnen met de bal om het hoofd de draaien, dan op borsthoogte, dan op buikhoogte, heuphoogte enz. tot bij de tenen.

l ) De bal met gestrekte armen een cirkelbeweging laten maken: met de rechterarm de bal boven het hoofd 'slingeren', daar overpakken op de linkerarm, deze met een grote boog laten zakken tot voor de knieën, daar weer overpakken op de rechterhand enz. m. De bal met de rechterhand onder het opgetrokken rechterbeen (zoals bij knieheffen) door spelen op de linkerhand. Dan het rechterbeen neerzetten, de linkerknie heffen en de bal met de linkerhand onder het linkerbovenbeen door naar de rechterhand brengen, enz. De oefening wordt met een rechte rug uitgevoerd!

n ) Voorover gebogen in spreidstand staan. De bal achtjes laten draaien om de beide benen heen.

Gesponsorde link - liever geen advertenties?

In het kort: oefeningen in het op het juiste moment pakken van ballen die stuiten of rollen.

Organisatie: per tweetal of drietal een bal.

a ) De nummers 1 en 2 van elk tweetal staan naast elkaar. Nummer 1 rolt de bal enkele meters weg. Nummer 2 moet zo snel mogelijk de bal bemachtigen, oppakken en teruggooien. Na 5 keer wisselen. Let er op dat de spelers zo snel mogelijk de bal 'pakken' door er, zodra dat mogelijk is, één hand op te leggen.

b ) Als a., maar nu gooit nummer 1 de bal met een klein boogje weg, zodanig dat deze op circa 4 meter afstand stuit (en dan een stuit van ongeveer een halve meter hoog maakt). Nummer 2 moet proberen zo snel mogelijk na de stuit de bal te bemachtigen.

c ) Als b., maar nu laat nummer 1 de bal vanaf 1,5 meter hoogte vallen vlak voor nummer 2. Deze moet weer proberen de bal zo snel mogelijk na de stuit te pakken. Het zal blijken dat vrijwel iedereen de bal rustig een eindje omhoog laat komen en dan pas de bal pakt. Fout! (in de tussentijd kan een tegenstander gauw nog even de hand op de bal leggen). Precies op het moment dat de bal omhoog gaat komen, moet de hand op de bal worden gelegd. Pak die bal!

e ) Drietallen, de aangever staat in het midden. Deze rolt de bal enkele meters weg. Zodra de bal los is, mogen de beide anderen lopen. Wie heeft de bal het eerst? Na 3 keer wisselen.

d ) Als d., maar nu gooit de aangever de bal met een klein boogje weg, zodanig dat de bal op circa 4 meter afstandstuit (en daar dan een stuit van ongeveer een halve meter hoog zou maken). Wie van de twee 'werkers' heeft het eerst de bal te pakken door daar zijn hand op te leggen?

f ) Als e., maar nu vanonder een korf. Degene die de bal het eerst heeft, mag een omdraaibal maken.

g ) Als b., maar nu met drietallen. Wie reageert het snelst?

In het kort: speelse loopvormen met groepjes, bij enkele vormen wordt met een bal gewerkt.

Organisatie: groepjes van drie of vier vormen, die zich achter elkaar opstellen achter een start- en finishlijn. Evenwijdig aan deze lijn op circa 15 meter afstand ligt nog een lijn. Zie verder de beschrijving van de verschillende soorten estafettes.

Nummer 1 van elke groepje sprint op een teken van de trainer naar de lijn op 15 meter afstand, tikt deze aan, sprint weer terug en tikt de volgende van het groepje aan. Daarna is deze aan de beurt enz.

Welk groepje is het eerst klaar?

Variatie: 

bij estafettes wordt nogal eens gesmokkeld. Om het wisselen eerlijker te laten verlopen, kun je elk groepje een bal geven, die aan de volgende loper gegeven moet worden. Of nog sterker: laat de spelers om het groepje, dat wijdbeens staat, heen lopen, en de bal tussen de benen van de spelers door naar voren rollen. Nummer 2 zal zo zeker niet te vroeg kunnen starten!

Als voorbeeld 1, maar nu achterwaarts lopen.

Als voorbeeld 1, maar er lopen steeds twee spelers tegelijk, die elkaar bij de hand vasthouden. Eerst nummer 1 en 2, dan nummer 2 en 3 enz.

De spelers hinken naar de overkant en sprinten terug.

De spelers moeten al dribbelend met een bal naar de overkant en weer terug lopen.

Aan de overzijde staat een korf. De spelers lopen met de bal in handen naar de korf, maken daar een doelpunt en sprinten weer met de bal in handen terug. Als er na 3 keer doelen nog niet gescoord is, mag men ook terug lopen.

De spelers lopen op handen en voeten naar de overkant en sprinten terug.

In het kort: diverse tikspelen.

Organisatie: baken een niet al te groot gebied (20 bij 10 à 20 meter) af met behulp van korven of pilonnen. Geef de tikkers als het er meer zijn, elk een lintje.

Gewoon tikkertje: één tikker moet in een bepaalde tijd (bijvoorbeeld 30 seconden) zoveel mogelijk mensen tikken. Wie getikt wordt, gaat aan de kant staan. Wie weet de meesten te tikken? Of: wie slaagt erin geen enkele keer getikt te worden?

Als voorbeeld 1, maar met twee tikkers (als de groep wat groter is).

Tweelingtikkertje. Als voorbeeld 2, maar de beide tikkers hebben elkaar bij de hand vast.

Als voorbeeld 2, wie getikt wordt, gaat in het veld bok staan. De anderen kunnen je weer bevrijden door over de bok te springen. 

Weg met de bal. Eén van de spelers heeft een bal. De bal wordt willekeurig rondgespeeld. De tikker moet proberen die speler te tikken die de bal in handen heeft. Als de groep groot is, dan deze splitsen in tweeën (en dus ook met twee tikkers werken). Sint Joris en de draak. Vier- of vijftallen vormen. Drie of vier spelers staan achter elkaar en houden elkaar bij het middel vast. Voor elk rijtje staat één speler (een tikker). Deze moet proberen de achterste van het rijtje te tikken. Het groepje probeert dit te verhinderen door zich steeds te verplaatsen. De spelers moeten elkaar steeds vast blijven houden! Als de rij verbroken wordt of als de achterste getikt wordt, wisselen van tikker.

Overlopertje. De spelers staan aan een lange zijde van een rechthoekig gebied (ongeveer ter grootte van een gymzaal). De tikker loopt ergens midden in het gebied. Op teken van de trainer moeten alle spelers overlopen naar de andere lange zijde. De tikker probeert hierbij zoveel mogelijk spelers te tikken. Is men door het vak gekomen, dan wacht men op het volgende teken om weer terug te lopen. Wie wordt in bijvoorbeeld 6 keer niet getikt? Dit tikspelletje kan ook dienen als een speelse oefening in het verdedigen

In het kort: diverse loop- en springoefeningen in circuitvorm,

voornamelijk gericht op verbeteren van 'de conditie'.

Organisatie: afhankelijk van gekozen circuit. Hieronder een voorbeeld

(zie de figuur) van een circuit met zes tweetallen. In dit geval zijn nodig

6 pilonnen, twee banken en een springtouwtje.

Er wordt gewerkt met tweetallen.

Zodra de eerste van elk tweetal klaar is met zijn onderdeel, voert de

tweede de oefening uit.

Is ook deze klaar, dan lopen ze beide naar het volgende onderdeel.
De trainer geeft steeds de tijd aan die er gewerkt wordt, in dit geval
steeds circa 30 seconden. Om er wat meer 'kompetitie' in te brengen,
kan ieder voor zich het aantal herhalingen tellen. Wie van elk tweetal
loopt en springt het vlugst?

Beschrijving van de verschillende onderdelen:
1. Pilonnenloop: de spelers slalommen om de diverse pilonnen. Aan het einde lopen ze snel terug en beginnen weer opnieuw.

2. Bankspringen: de spelers springen steeds heen en weer over de bank, waarbij ze met twee benen afzetten. Na zes sprongen zijn ze aan het einde van de bank gekomen en dan lopen ze terug naar het begin van de bank om weer opnieuw te beginnen.

3. Om de bank heen en terug lopen.

4. Touwtje springen, ook de jongens ja! (Vertel hen ter aanmoediging dat touwtje springen een favoriete conditieoefening voor boksers is!)

5. Lijnenloop: sprinten naar de eerste lijn, deze aantikken, dan achteruitlopen naar de startlijn, dan weer vooruit naar de tweede lijn en tot slot weer achteruit naar de beginlijn. Daarna weer van voren af aan.

6. Bokspringen: steeds over de 'vrije man' heen en terug bokspringen.

In het kort: al rondlopend diverse vormen van lopen, stoppen, draaien en springen beoefenen. 

Organisatie: op het veld een 'parcours' uitleggen (met pilonnen of met korven in een grote cirkel). In de zaal lopen we gewoon rond. Verder is een fluitje, zeker op het veld, erg handig.

In rustige looppas rondlopen, waarbij de groep zich over het hele parcours verspreidt. De aldus ontstane tussenruimte moet gedurende de hele oefening zo goed mogelijk gehandhaafd worden. Op teken van de trainer snel draaien en de andere kant uitlopen.

Idem, maar nu de andere kant omdraaien. De eerste passen na de draai worden met een klein sprintje afgelegd (korte pasjes).

Achteruit rondlopen. Op teken van de trainer weer draaien en de andere kant op achteruit lopen. Afwisselend beide kanten om draaien.

Met kruispassen rondlopen. Ook de andere kant op.

Looppas rond. Op teken van de trainer snel gaan zitten (of liggen), weer opstaan, een kort sprintje trekken en weer verder in looppas.

Tempo iets hoger dan looppas. Als er 1 keer kort wordt gefloten dan een sprintje aantrekken. Wordt er 2 keer zeer snel achter elkaar gefloten, dan snel enkele meters achteruit lopen. Opletten geblazen, er kunnen botsinkjes optreden!

Looppas rond. Op fluitsignaal proberen de persoon voor je aan te tikken. Na maximaal 20 meter sprint weer verder in looppas.

De spelers gaan dichter achter elkaar lopen, de onderlinge afstand bedraagt circa anderhalve meter. Op teken van de trainer sprint de achterste van de rij al zigzaggend om de anderen heen naar voren. De trainer fluit om de 2 à 3 seconden. Kun je de persoon voor je inhalen?

Op teken van de trainer maken de spelers een hoge opsprong. Beurtelings met links en rechts afzetten.

Als i., maar nu moeten de armen bij de opsprong ook nog omhoog gebracht worden, zoals bij het afvangen van een bal onder de korf. Let er op dat men wel hoog blijft springen!

De spelers gaan hinkend op het rechterbeen rond. Na circa een halve minuut hinken op het linkerbeen.

Als k., maar nu moeten de sprongen zo groot mogelijk worden gemaakt. Probeer in zo weinig mogelijk hinken rond te komen!

De spelers mogen het op links en rechts hinken zelf enkele keren afwisselen. De spelers worden genummerd, afwisselend met 1 en 2. De nummers 1 gaan bokstaan. De nummers 2 springen over alle nummers 1 heen tot ze weer op hun eigen plek zijn. Daarna andersom.

Op teken van de trainer veren de spelers diep door de knieën, waarna ze een hoge opsprong maken (afzetten met twee benen, de armen ter ondersteuning mee omhoog zwaaien).

voor de korfbaltrainer: Yoursportplanner one

Korfbaltrainingen

Eenvoudig korfbaltrainingen maken en bewaren. Bekijk de trainingen in de mobiele app op het trainingsveld.

Naar de korfbaltrainingen

Korfbaloefeningen

Bestaande korfbaloefeningen zoeken. Je eigen oefeningen maken, bewaren en hergebruiken. Oefeningen delen.

Naar de korfbaloefeningen

Team

Diverse tools voor de organisatie rondom je korfbalteam(s). Wedstrijden, agenda, rijschema en meer...