korfbaloefeningen voor
Passing / opbouw / aanval / vrijlopen


Gesponsorde link - liever geen advertenties?

De organisatie in de volgende oefeningen is dat twee spelers tegenover elkaar staan. Per tweetal een bal. De afstand is te variëren, maar spelers mogen niet op maximale afstand gaan oefenen. Laat de spelers niet te ‘stijf’ staan, ze moeten losjes en ontspannen op de plaats kunnen bewegen.

Oefening 1

Spelers werpen elkaar de bal toe met twee handen en vangen met twee handen. Plaatsen op borsthoogte. Besteed aandacht aan of het werpen of het vangen, niet beide tegelijk.

Variaties: welk tweetal kan het snelst 25 keer heen en weer gooien, wie kan het vaakst overspelen zonder de bal te laten vallen.

Oefening 2

Als oefening 1, maar de bal iets hoger toespelen, niet zo hoog dat men moet springen, dus net boven het hoofd. Let met name op het vangen en de positie van de duimen, iets dichter bij elkaar dan bij oefening 1.

Oefening 3

Als oefening 1, maar de bal wordt op kniehoogte aangespeeld. Let met name op de pinken, iets dichter bij elkaar en naar de grond wijzend.

Oefening 4

De spelers iets dichter bij elkaar laten staan en met een stuit overgooien.

Oefening 5

De spelers gooien de bal afwisselend hoog, laag, met een stuit of op borsthoogte aan.

Variaties

Dezelfde oefeningen kunnen op grotere afstand worden uitgevoerd. Een leuke variatie is spelers dicht bij elkaar laten beginnen en na 3 keer goed heen en weer gooien steeds een kleine stap verder uit elkaar te laten staan. Na verloop van tijd

komt men ver uit elkaar en zal de maximale afstand worden bereikt. Laat spelers hooguit 3 keer op maximale afstand gooien, zeker niet meer of verder.

Oefening 6

Een speler is de werker en een speler is de aangever. De werker komt vanaf circa 10 meter aanlopen richting aangever, de bal wordt met twee handen gegooid. De werker stopt, vangt de bal met twee handen, gooit terug met twee handen en loopt terug naar beginpositie. Oefening tienmaal uitvoeren en dan wisselen van taak.

Oefening 7

Als oefening 6, maar teruggooien in de loop. Bij ervaren spelers kan de werker de bal ontvangen bij het tegemoetkomen maar ook bij het weglopen.

Oefening 8

De werker loopt op circa 5 meter afstand links en rechts van de aangever, de aangever gooit met twee handen aan als de werker bij het keerpunt is. Let op dat de bal voor de werker wordt gegooid en op het indraaien van het lichaam alvorens de bal wordt gevangen. Het keerpunt kan worden gemarkeerd, bij ervaren spelers is dit niet nodig. Ervaren spelers moeten blijven lopen totdat de bal is gegooid, de aangever heeft de taak om de afstanden in te schatten.

Oefening 9

De werker beweegt in een halve cirkel voor de aangever, waarbij naar de aangever toe kan worden gelopen, links en rechts kan worden gelopen en van de aangever af.

Oefening 10

Tegenover elkaar staande spelers. De spelers werpen de bal met één hand toe en vangen met twee handen. Oefen 25 keer met rechts en 25 keer met links.

Variaties: welk tweetal kan het snelst 25 keer heen en weer gooien, wie kan het vaakst overspelen zonder de bal te laten vallen.

Oefening 11

Als oefening 10. Met twee handen werpen en met één hand vangen, de vanger geeft aan op welke hand. Oefen dit 25 keer rechts en 25 keer links.

Oefening 12

Als oefening 10. Speler gooien met één hand en vangen met één hand, steeds dezelfde hand.

Oefening 13

Als oefening 12, maar de bal wordt gevangen met links, overpakken op rechts en gooien met rechts. De bal zal als het ware ‘achtjes’ gaan draaien. Na 20 keer heen en weer vangen met rechts, overpakken op links en gooien met links.

Oefening 14

De spelers geven elkaar moeilijke ballen. Zodanig gooien dat er moeite moet worden gedaan om met één hand te vangen. Op kniehoogte, iets te ver langs het lichaam, iets boven het hoofd.

Oefening 15

De spelers bewegen lichtjes heen en weer. De bal moet worden geplaatst op bewegende spelers, dus iets voor het lichaam van de bewegende speler.

Oefening 16

Als oefening 10, maar nu met een bovenhandse slingerworp.

Oefening 17

Als oefening 16, maar de spelers vangen met één hand en proberen de bal ‘draaiende’ te houden. Dat betekent dat de snelheid van de bal wordt omgezet in de draaibeweging die bij hoofdstuk 5 is beschreven en direct wordt teruggegooid. Het vangen is direct de start van de slingerworp.

Oefening 18

Als oefening 17, maar nu met een onderhandse slingerworp. De bal wordt hoog gevangen en met een draaibeweging achter het lichaam onderhands teruggegooid.

Oefening 19

De spelers spelen de bal achter de rug naar elkaar toe. Net als bij de slingerworp is het lichaam wat gedraaid (als er met rechts wordt gegooid moet de linkerschouder het dichtst bij de medespeler zijn), de afstanden bij deze oefening klein houden.

Oefening 20

De spelers spelen elkaar de bal in de sprong toe. Vlak voor het ontvangen van de bal springt men op, men vangt de bal, speelt deze snel weer terug en belandt pas daarna op de grond.

Een lastige oefening waarbij het vooral op timing aankomt, de meeste spelers zullen te vroeg springen en daardoor geen tijd hebben om de bal terug te gooien. Eventueel slechts een van de spelers laten springen.

Voor kinderen met weinig sprongkracht is deze oefening niet geschikt.

Oefening 21

Als oefening 20, maar nu met één hand vangen en werpen.

Oefening 22

Als oefening 20, maar de bal wordt ver boven het hoofd geplaatst. Deze oefening kan individueel tegen een muur worden uitgevoerd, bijvoorbeeld bij een circuitje.

Bij de volgende oefeningen staat wederom het werpen en vangen centraal. Het accent kan liggen op het aanleren van techniek, het onderhouden van de techniek, maar ook op conditie. De organisatie is per tweetal een werker en een aangever. Ieder tweetal een bal en enkele pilonnen. Na 30 seconden of 1 minuut van functie wisselen.

Oefening 23

De werker staat op 10 meter en loopt richting aangever. De bal wordt gegooid en met één hand in de loop gevangen en direct teruggegooid. De werker gaat terug naar beginpositie en loopt wederom op de aangever af. De bal wordt nu met de andere

hand gevangen en gegooid. Steeds opnieuw waarbij elke keer van hand wordt gewisseld.

Oefening 24

Als oefening 23, maar de bal wordt op hoofdhoogte gespeeld. In de sprong met één hand vangen (wellicht eerst met twee handen oefenen) en met één hand teruggooien.

De bal kan ook ruim boven de werker worden gegooid, zodat deze echt moet springen en volledig strekken om de bal te vangen.

Oefening 25

Op 6 meter voor de aangever staat een pilon. De werker loopt naar de pilon, maakt een uitwijkbeweging en loopt naar schuin achteren. De bal voor de werker aangooien. Direct terug spelen, weer naar de pilon lopen en de andere kant op uitwijken. De meeste spelers zullen de bal met een hand vangen en teruggooien, waarbij de buitenste hand wordt gebruikt.

Oefening 26

Als oefening 25, maar de bal laten overpakken op de binnenste hand en daarmee gooien. Let op de verplaatsing van het lichaamsgewicht op het binnenste been en het goed voorzetten van het andere been voordat wordt gegooid.

Oefeningen 25 en 26 kunnen ook met een slingerworp, onderhands dan wel bovenhands worden uitgevoerd. Leg de nadruk op de techniek en de verschillen.

Oefening 27

Als oefening 25, maar de bal wordt ‘creatief’ teruggespeeld. Dat betekent achter de rug langs, achter het hoofd langs, met een stuit of anders. De actie moet wel functioneel blijven.

Variaties

  • Gooi de bal ook als de werker bij de pilon is aangekomen, deze vangt en gooit met twee handen.
  • Oefening op grote afstand, veel kracht en uithoudingsvermogen worden vereist.
  • In plaats van in een V-vorm te lopen, de werker in een rechte lijn van links naar rechts laten lopen op 6 meter van de aangever. De aangever moet nauwkeuriger gooien omdat de ballijn vrijwel haaks op de looplijn is.
  • De aangever licht op de plaats laten bewegen, zodat bij het terug gooien meer concentratie wordt vereist van de werker.

Oefening 28

De werker beweegt op circa 4 meter voor de aangever heen en weer in een verdedigende houding, dus licht door de knieën. De werker vangt en werpt de bal met een hand, hierna ‘schuift’ hij de ander kant uit. De werper vangt en werpt de bal met de andere hand en gaat weer terug. De oefening wordt steeds in verdedigende houding uitgevoerd en belast dus met name de bovenbeenspieren. Besteed aandacht aan het goed vangen en werpen tijdens het ‘pijnlijden’.

Oefening 29

De werker ligt languit op de grond, de aangever op enkele meters voor de werker zit gehurkt. De werker moet de bal steeds vanuit lig terugwerpen naar de aangever. De oefening is met name bedoeld voor rug-, buik- en bovenarmspieren.

Oefening 30

De werker zit op de grond met opgetrokken knieën en de aangever staat op 5 meter. De werker vangt de bal, tikt de bal achter het hoofd liggend op de grond, komt weer in zittende positie en gooit de bal terug. In feite sit-ups met bal.

Oefening 31

De werker staat schuin rechts voor de aangever op circa 8 meter en loopt naar schuin links voor de aangever. Recht voor de aangever ontvangt de werper na een sprong de bal en de bal wordt direct teruggegooid. De werper moet hiervoor in de sprong een kwart draai maken. Daarna loopt de werker door naar schuin links.

Vandaar dezelfde oefening, maar nu met de andere hand.

Oefening 32

Als oefening 31, maar nu wordt de bal pas gegooid als de werker bij het draaipunt is, dus steeds schuin voor de aangever. De werker moet in plaats van een kwart draai maken in de sprong nu bijna een halve draai maken in de sprong.

Oefening 33

De aangever plaats de ballen met een boog in de ruimte, de werker moet ze vangen en direct teruggooien. Van belang is de inschatting van de aangever hoe ver van de werker kan worden geplaatst zonder dat de bal met stuit wordt gevangen.

Oefening 34

De aangever gooit de bal over de werker heen in de ruimte. De werker vangt de bal en plaatst direct de bal terug. De aangever staat, nadat de bal is gevangen door de werker, pal achter de speler en hij moet dus een halve draai maken om terug te kunnen gooien.

Oefening 35

De werker loopt heen en weer voor de aangever op circa 5 meter. Steeds als de werker voor de aangever is krijgt hij de bal en plaatst de bal achter de rug terug.

Oefening 36

Als 35, maar de bal met een slingerworp boven het hoofd terug gooien, de afstand kan worden vergroot.

Oefening 37

De werker start op drie meter voor de aangever, loopt naar schuin links van de aangever en ontvangt op circa 5 meter de bal en gooit terug. De werker loopt vervolgens naar schuin rechts van de aangever en ontvangt de bal op circa 9 meter en gooit direct terug. Vervolgens loopt de werker weer naar ver voor de aangever en ontvangt de bal op circa 15 meter en gooit direct terug, gevolgd door een sprint naar de beginpositie op drie meter voor de aangever. De werker loopt nu eerst naar schuin rechts voor de aangever en voert de oefening nogmaals uit, maar nu steeds de andere kant op. Herhaal deze oefening 2 maal en wissel dan van functie.

De volgende oefeningen zijn voor viertallen en vormen basisoefeningen voor het vangen en gooien. Per viertal een bal en twee pilonnen die circa 10 meter van elkaar staan. Twee spelers bij pilon A en twee spelers bij pilon B. De oefeningen kunnen ook met drietallen worden uitgevoerd, maar dan moet de bal beginnen bij de pilon waar twee spelers staan.

Oefening 38

De speler met de bal speelt de bal met twee handen naar de speler bij de andere pilon, loopt de bal achterna en sluit aan bij de spelers bij die pilon. Een simpele en herkenbare oefening. Snelheid ontwikkelen vanuit de worp is een mogelijke aandachtspunt om bij wat oudere spelers toch deze oefeningen aantrekkelijk te houden.

Variaties: welk tweetal kan het snelst 50 keer heen en weer gooien, valt de bal dan weer opnieuw beginnen te tellen. Wie kan het vaakst overspelen zonder de bal te laten vallen.

Oefening 39

Als 38, maar werpen met één hand. Na verloop van tijd werpen met de andere hand.

Oefening 40

Als 39, maar ook vangen met één hand.

Oefening 41

Speler 1 gooit naar een tegemoetkomende speler 2, deze gooit de bal door naar de pilon waar hij vandaan kwam naar speler 3 (moet dus een halve draai maken) en sluit aan bij de andere pilon. Bij drietallen begint het tweetal nu zonder bal. Variaties zoals oefening 38 t/m 40.

Oefening 42

Speler 1 gooit de bal naar de tegemoetkomende speler 2 die niet recht naar de bal, maar schuin naar rechts van de speler loopt. Speler 1 loopt naar de overkant, ontvangt halverwege de bal van speler 2 en gooit deze naar de pion waar hij vandaan kwam, speler 4, en sluit achter de andere pion aan waar alleen speler 3 staat. Speler 2 sluit achter speler 4 aan.

Speler 1 moet een kwart draai maken om de bal van speler 2 naar speler 4 te kunnen gooien, deze draai moet in de lucht kunnen worden uitgevoerd.

Oefening 43

In een vierkant opstellen met een onderlinge afstand van circa 10 meter. Bij grotere groepen kan in vijftallen worden gewerkt met vijfhoeken.

Speler 1 gooit de bal naar speler 2, loopt achter de bal aan en krijgt bij speler 2 de bal weer terug. Speler 1 gooit naar speler 3, wederom achter de bal aan, ontvangst en gooit naar speler 4. Bij speler 4 moet speler 1 een lange diagonale bal gooien naar speler 2 en speler 1 kan zijn oorspronkelijke positie innemen. Speler 2 vervolgt inmiddels de oefening.

Deze oefening ieder twee maal laten uitvoeren en dan de andere kant op laten gooien.

Wie is er het eerst klaar? Waak voor ongelijke afstanden.

Oefening 44

Twee spelers gooien naar elkaar en twee spelers proberen de bal te onderscheppen. De gooiende spelers hebben een beperkte ruimte, bijvoorbeeld ieder een cirkel met een diameter van 5 meter. Zodoende wordt het gooien op een bewegende speler en het ontwijken van een tegenstander getraind. Als bal 5 maal is onderschept, wisselen van functie.

Oefening 45

Een speler werpt de bal naar een medespeler op circa 4 meter en probeert direct de medespeler het gooien te belemmeren. Dat kan door inspringen, door laag te verdedigen of door zich breed te maken. De werper kan direct naar 2 andere medespelers gooien en tracht daar het gooien te belemmeren.

De onderhandse slingerworp wordt met name gebruikt om uit de worp ook snelheid te creëren voor een actie richting korf, waarbij een inspringende tegenstander voorbij wordt gelopen nadat de bal onderhands is gegooid.

Voor rechtshandige is de uitgangshouding een schredestand met de linkervoet voor en de knieën lichtgebogen. Een hoog aankomende bal is een ideale inzet voor deze worp. De bal wordt hoog gevangen en in een cirkelvormige baan gebracht, die verloopt via achter naar beneden vóór het lichaam. De arm is hierbij soepel gestrekt en de bal ligt op de gespreide vingers. De bal wordt losgelaten net nadat de rechterarm loodrecht naar beneden wijst. Het lichaamsgewicht is aanvankelijk op het voorste been. Tijdens de cirkelbeweging van de arm verplaatst zich dat naar achteren, om tenslotte weer te eindigen voor het voorste been.

Onderhandse slingerworp uit eenhandig vangen

Om de worp te gebruiken om snelheid te maken voor een loopbeweging gaat het linkerbeen naar voren op het moment dat de rechterarm loodrecht naar beneden wijst (vanaf stap 6 in de afbeelding). Bij het strekken van de rechterarm (de bal is dus reeds gegooid) komt de linkervoet weer op de grond en is de eerste pas naar binnen gemaakt.

In de wedstrijd wordt vaak met twee handen gevangen. Nadat de bal met twee handen is gevangen wordt de bal met de rechterhand van borsthoogte naar omlaag gebracht tot kniehoogte en achter het lichaam weer omhoog gebracht, waarbij de arm tijdens de beweging naar achteren gestrekt wordt en aan het eind horizontaal staat. De verdere techniek is gelijk aan het onderhandse slingerworp uit eenhandig vangen.

Onderhandse slingerworp uit tweehandig vangen

Veel voorkomende fouten

  • Het moment van loslaten is foutief, waardoor de juiste richting van de worp verloren gaat.
  • De arm wordt niet gestrekt gehouden.
  • De snelheid van de ronddraaiende arm is te hoog, waardoor men de bal verliest of verkeerd plaatst.

De bovenhandse slingerworp wordt veelal toegepast als de tegenstander groter is dan de speler of men wil een boogbal (lobje) gooien.

Men staat in een niet te grote schredestand, linkervoet voor. De knieën zijn gebogen. Men staat dwars op de werprichting. De bal wordt gevangen en in één cirkelbeweging met gestrekte arm van onderaf naar achter het lichaam en vervolgens tot boven het hoofd gebracht en even voorbij het hoofd los gelaten, juist nadat het hoogste punt is bereikt. Tijdens het lange balcontact wordt de handelingssnelheid opgevoerd om de bal de gewenste snelheid mee te geven.

Bovenhandse slingerworp uit tweehandig vangen

Veel voorkomende fouten

  • De bal wordt te vroeg losgelaten, een te hoge en te korte bal is het gevolg.
  • De bal wordt te laat losgelaten, een te lage en te korte bal is het gevolg.
  • De arm wordt niet gestrekt gehouden.
  • De handelingssnelheid is te laag, waardoor de bal van de hand dreigt te vallen, met name als de bal achter het lichaam is.

Een zijdelingse slingerworp is over het algemeen onnauwkeurig en ongecontroleerd. Voor de volledigheid wordt het hier beschreven, maar het aanleren van deze worp verdient geen prioriteit. De bovenhandse slingerworp is een beter alternatief.

Nadat de bal gevangen is, wordt hij met gestrekte arm horizontaal naar achteren gebracht. Bij een rechtshandige werper staat het linkerbeen voor. Het lichaamgewicht rust op het rechterbeen, dat licht gebogen is. Het lichaam staat dwars op de werprichting. De bal wordt nu met een gestrekte arm horizontaal

weggeslingerd, waarbij de kracht komt uit strekking van het rechterbeen en de rompdraaiing naar voren.

voor de korfbaltrainer: Yoursportplanner one

Korfbaltrainingen

Eenvoudig korfbaltrainingen maken en bewaren. Bekijk de trainingen in de mobiele app op het trainingsveld.

Naar de korfbaltrainingen

Korfbaloefeningen

Bestaande korfbaloefeningen zoeken. Je eigen oefeningen maken, bewaren en hergebruiken. Oefeningen delen.

Naar de korfbaloefeningen

Team

Diverse tools voor de organisatie rondom je korfbalteam(s). Wedstrijden, agenda, rijschema en meer...