Speler A gooit de bal over het net en tikt daarna het net aan.
Speler B vangt de bal, gooit terug naar A en tikt daarna het net aan.
Elke speler voert 10 acties uit en wisselt dan van rol.
Start met aandacht voor het voetenwerk van speler B: snel vertrekken, armen naast het lichaam, snel stoppen met de rechtervoet lichtjes voor, pivoteren naar A, stilstaan bij het vangen, knieën licht gebogen.
In de tweede fase let op het teruggooien van B: gebruik van benen om uit te duwen, het hele lichaam beweegt mee in de richting van de bal.
In de derde fase focus op de armen en vingers: bal vangen ter hoogte van het voorhoofd, juiste stand van de handen (ruitvorm), alle vingers raken de bal, vingers gespreid, armen licht gebogen, ellebogen niet te breed of smal.
In de vierde fase let op de handen tijdens het weggooien: opendraaien van de handen en het uitstrekken van de armen.
Coachingpunten
Zorg voor een snelle start en stop.
Let op de pivotbeweging en het stilstaan bij het vangen.
Gebruik het lichaam bij het gooien.
Houd de juiste handpositie bij het vangen en gooien.
Herhaal indien nodig om de techniek te verbeteren.
Variaties
Herhaal de oefening met speler A die overtoetst in plaats van overgooit.
Speler B kan een tussentoets uitvoeren in plaats van vangen, en dan overtoetsen.
Als de techniek goed is, direct overtoetsen.
Pas de oefening aan per groepje om het makkelijker of moeilijker te maken.
Zorg dat speler A na elke actie een extra beweging uitvoert (bijvoorbeeld zijlijn, net of grond aantikken).