A zit op een stoel, B heeft een bal en dribbelt terwijl hij vooruitgaat. A vangt de bal en gooit hem omhoog naar B. B speelt de bal naar achteren met een bovenhandse pass.
A staat op, loopt achteruit en pakt een hoepel. A legt de hoepel op de grond zodat de bal erin kan stuiteren. B breidt de oefening uit door de bal te slaan terwijl hij in de hoepel is.
A retourneert de bal en B vangt de bal terwijl hij op de stoel zit. A voert een aanval uit door de bal terug te spelen naar B, die op de stoel zit.
Oefening 2: Pionnen en Ballenkar
Plaats een ballenkar in het midden van het veld. Elke speler heeft een pion en staat bij het net. Elke keer dat een pion in de kar valt, gaat de speler naar de volgende zijlijn.
De laatste stop is zo ver mogelijk achter de achterlijn.
Oefening 3: Buikspieren en Blokkeren
A heeft een bal en een pion, B staat bij het net, C heeft een kar. A begint en C doet 5 buikspieroefeningen terwijl B een blok uitvoert.
A gooit de bal naar B en gooit ook de pion. B vangt de pion en speelt de bal naar A. A speelt de bal naar de kar en C beweegt deze om het te vergemakkelijken.
De spelers schuiven telkens een positie op.
Oefening 4: Rotatie van Bal en Stok
A en B hebben een bal en een stok. Ze gooien de bal omhoog en draaien de stok onder de bal door.
Ze proberen de bal zo vaak mogelijk onder de stok door te laten gaan.
Oefening 5: Kernstabiliteit
Elke speler heeft 2 tennisballen en 2 pionnen. In buikligging wisselen de spelers de ballen 8 keer in 30 seconden.
Oefening 6: Reactie en Heuprotatie
Ze werken in paren met twee tennisballen. Ze staan samen in een drievoudige pas en voeren een heuprotatie uit.
Speler A houdt de ballen vast, B legt zijn handen op die van A. A laat de ballen vallen en B probeert ze te vangen.