Tweetallen:
bal is voorin bij rood. wit beweegt op en neer waardoor het lijkt dat zij de bal bij rood gaat halen. blauw sprint van de paal opzij en krijgt de bal van rood. rood sprint naar de paal om de afvang te pakken. wit komt naar de plek van rood, krijgt de bal en schiet. rood vangt af en geeft de bal aan wit en sprint zijwaarts uit. rood krijgt de bal en wit spurt naar de paal om af te vangen, blauw komt voor de korf tot schot.
Bij deze oefening heb je allemaal een functie. Degene die de bal heeft is de passer of de schutter. Als je als passer bezig bent, dan komt een ander voor het schot. De derde gaat voor de afvang. Je vult dus altijd een van die functies in.
De drie anderen nemen strafworpen
We spelen 4:4. De aanvallers spelen zo ruim mogelijk. Kijken waar de ruimte ligt voor de medespeelster. Strak aanspelen en altijd met 2 man afvangen.
We beginnen met een statische afvang