Voetbaloefeningen voor de techniek passing
Laatste update: januari 2026
Duur:
- Ongeveer 15 minuten
- Rood vierkant: 16 meter breed, 15 meter lang
- Blauwe pion: achterste lijn, middelpunt, dan 5 meter naar binnen en 5 meter verder de witte pion
- Speler B vraagt de bal aan door de actieve verdediger uit balans te brengen en naar de blauwe pion te sprinten.
- Speler A speelt in op B, B speelt in op C met de actieve verdediger in de rug, C speelt in op D.
- D legt de bal breed en C rondt af.
- Als de actieve verdediger de bal afpakt, mag hij scoren.
- De speler die balverlies lijdt, moet proberen de bal terug te veroveren.
- De oefening eindigt wanneer een van beide partijen scoort.
- A wordt verdediger, verdediger wordt B, B wordt C, C wordt D en D sluit achteraan aan.
- Begin met eerst aannemen en spelen zodat B moet omgaan met een speler in de rug.
- Daarna zet je vaste verdedigers op de actieve verdedigersplaatsen en maak je er een partij van.
- Wie de meeste goals maakt in 5 minuten wint.
- Let op: de verdedigers blijven staan op posities A-B-C-D.
- Juiste snelheid van het inspelen van de bal zodat de medespeler er direct mee kan handelen.
- Positie van B is belangrijk om de bal meteen af te schermen tijdens de aanname.
Doel
- Focussen op de opendraaiende aanname van speler D.
- Start bij speler A.
- Speler A speelt de bal naar speler B.
- Speler B kaatst de bal in de loop terug naar speler A.
- Speler D maakt een vooractie en komt in de bal tussen de twee hoedjes.
- Speler A speelt de bal op de linkervoet van speler D in.
- Speler D neemt de bal met één contact aan en draait op tussen de twee hoedjes.
- Speler D speelt de bal naar speler C.
- Speler C laat de bal vallen op speler B.
- Speler B steekt de bal in de loop van de doorgelopen speler D.
- Speler D werkt af in een kleine goal en sluit weer achteraan aan.
- Alfabetisch doordraaien.
Opstelling
- Plaats vier rijen met hoedjes, elk op 10 meter afstand van elkaar.
- Creëer zoveel banen als er koppels zijn. Elk koppel heeft één bal.
- De spelers stellen zich op bij de eerste twee rijen met hoedjes.
Uitvoering
- De bal begint bij de blauwe speler aan de zijlijn.
- Blauw passt de bal over de grond naar rood, die de bal over de grond terugpasst.
- Na de pass loopt de rode speler achteruit naar de volgende rij hoedjes.
- Blauw passt nu met meer kracht naar rood, die de bal stevig terugpasst en achteruit loopt naar de laatste rij hoedjes.
- Blauw passt nu met een hoge bal naar rood en loopt zelf naar de rij hoedjes die het dichtst bij rood is.
- Rood blijft op de achterste lijn staan, terwijl blauw na elke pass achteruit loopt naar de volgende rij hoedjes.
Technische aandachtspunten
- Zorg voor een goede traptechniek.
- Let op een goede bal-aanname.
Doel
- Ruimte zoeken en positiespel verbeteren.
Uitvoering
- Speel op een groot veld om voldoende ruimte te creëren.
- De spelers mogen de bal maximaal twee keer raken.
- Als de bal tien keer binnen het team is rondgespeeld, verdient het team een punt.
Variaties
- Moeilijker maken: Laat de spelers de bal slechts één keer raken en verbied het terugpassen naar dezelfde speler.
- Makkelijker maken: Sta meer balcontacten toe en verminder het aantal spelers op het veld.
- Hier een oefeningen waar de nadruk ligt op het vrijlopen en creëren van ruimte voor de medespeler.
- Er staan 2/3 spelers in het midden, naargelang het aantal spelers, die 'jager' zijn.
- De andere spelers staan opgesteld tussen hun potjes, waar ze continu tussen bewegen om zo de jager te 'misleiden' en ruimte te maken voor de pas.
- Eens ze 10 passen hebben hebben de 'passers' 1 punt, indien de 'jagers' de bal onderscheppen en dus de pas onderbreken hebben de 'jagers' 1 punt.
- Bij een onderschepping of bij 10 passen, wordt er gewisseld en staan er 3 andere in de midden.
- Variatie:
- Er wordt geen 1-2 gedaan
- Er wordt niet naar de persoon naast u gepast.
Doelstelling:
- de spelers komen tot beheersen van de korte pass.
Oefening:
- Je speelt een pass en trap met veel beweging.
- Speler A speelt speler B in.
- B kaatst op A.
- A speelt C in.
- C kaatst op B.
- B kaatst op C.
- Deze speelt E in die beweging naar voren maakt.
- E speelt uitzakkende D in.
- Deze kaatst uit op E welke in speelt op A.
De nadruk ligt op het vrijlopen en creëren van ruimte voor de medespeler.
- Er staan 1 speler in het midden die jager is.
- De andere spelers staan opgesteld tussen hun potjes, waar ze continu tussen bewegen om zo de jager te 'misleiden' en ruimte te maken voor de pas.
- Eens ze 10 passen hebben hebben de 'passers' 1 punt, indien de 'jager' de bal onderschept en dus de pas onderbreekt heeft de jager' 1 punt.
- Bij een onderschepping of bij 10 passen, wordt er gewisseld en staat er 1 andere in de midden.
Variatie:
- Er wordt geen 1-2 gedaan
Introductie:
- Bij grote groepen kleinste jeugd grotere oefening om iedereen in beweging te houden voor korte passes en afwerkvorm.
- Oefening bestaat feitelijk uit 2 vormen waarbij we blijven doordraaien.
Vorm 1:
- A speelt naar B - en beweegt langzaam voorwaarts
- B speelt naar C
- C speelt naar A - en beweegt langzaam voorwaarts
- A speelt naar D
- D laat vallen op C
- C speelt door de poortjes naar E
- E laat vallen op D
- D speelt naar F
- F laat vallen op E
- E werkt af
- F pakt de bal en sluit aan bij G
Vorm 2:
- G speelt naar H
- H speelt naar I
- I laat vallen op G
- G werkt af
- I pakt de bal en sluit aan bij A
Voor 7 a 12 spelers
Maak een zeshoek met de pionnen op ongeveer 12-15 meter afstand.
Bij iedere pion 1 speler maar bij de 1e - en 4e indien 8 spelers- 2 spelers.
Maak een zeshoek met de pionnen op ongeveer 12-15 meter afstand.
Bij iedere pion 1 speler maar bij de 1e - en 4e indien 8 spelers- 2 spelers.
- 1 van de spelers bij het tweetal start met de bal.
- De speler bij de eerstvolgende pion zakt uit en vraagt de bal.
- De speler met de bal speelt deze in.
- De speler die de bal vraagt, draait in en neemt de bal aan.
- De speler bij de volgende pion zakt uit en vraagt de bal en de speler speelt de bal in, etc.
- De speler die de bal inspeelt, loopt door naar de volgende pion, enzovoort.
Variaties:
- Linksom en rechtsom
- In plaats van indraaien en inspelen vraagt de speler die inspeelt nu een kaats en de speler kaatst de bal, waarna de speler die de kaats vroeg de bal inspeelt naar de speler bij de volgende pion. De speler die heeft gekaatst loopt door en vraagt nu een kaats, enzovoort.
Voor meer dan 8 spelers meer mensen bij sommige pionnen of de zeshoek uitbreiden naar een achthoek.
- Oefening draait voornamelijk om speler D.
- Opendraaiende aanname essentieel.
- Opendraaiende aanname essentieel.
- Start bij A.
- A speelt naar B.
- B kaatst in de loop terug naar A.
- D maakt vooractie en komt in de bal tussen de 2 hoedjes.
- A speelt op linkervoet van D in.
- D neemt met één balcontact aan en draait op tussen de twee hoedjes.
- D speelt C in.
- C laat vallen op B.
- B steekt in de loop van de doorgelopen D.
- D werkt af in kleine goal en sluit weer achteraan.
Alfabetisch doordraaien.
Oefening draait voornamelijk om speler D.
Opendraaiende aanname essentieel.
Opendraaiende aanname essentieel.
- Start bij A.
- A speelt naar B.
- B kaatst in de loop terug naar A.
- D maakt vooractie en komt in de bal tussen de 2 hoedjes.
- A speelt op linkervoet van D in.
- D neemt met één balcontact aan en draait op tussen de twee hoedjes.
- D speelt C in.
- C laat vallen op B.
- B steekt in de loop van de doorgelopen D.
- D werkt af in kleine goal en sluit weer achteraan.
Alfabetisch doordraaien.
- Afstanden:
- Rechthoek van 15 bij 5 meter.
- Pion B en C 5 meter van elkaar.
- Beide 2,5 meter van zijkant en 5 meter van A en D af.
- Duur: 10 min.
- Na 5 min wisselen van richting
Uitleg:
- A speelt B in
- B laat bal op C vallen
- C speelt D in
- Op moment dat de bal bij D is moet A er zijn om de Kaats te maken.
- D kaatst op A en loopt direct door om weer ingespeeld te worden.
- A kaatst op D en D kaatst op E.
- E neemt bal mee naar beginpunt.
- Loop lijnen: A wordt B, B wordt C etc.
Aandachtspunten:
- Strakke ballen door de bal in hart te raken, lichaam iets over de bal.
- B moet de bal op C iets naar buitenkant laten vallen zodat er een vrije passlijn naar D is.
- A moet timen dat zij/hij op juiste moment aanwezig is voor de kaats met D.
- Is zij/hij te vroeg en moet zij/hij te lang wachten betekent dit in de wedstrijd dat er tegenstander in haar/zijn rug zit.
- Is zij/hij te laat moet D wachten betekent het in de wedstrijd dat de tegenstander druk op D kan zetten.
- Om concentratie te behouden let erop dat de bal bij punt A pas gespeeld wordt op het moment dat iedereen op zijn plaats staat.
1e oefening:
- Speler A speelt de bal in naar B en loopt naar de positie van B.
- Speler B staat open gedraaid, neemt aan en speelt hem door naar Speler C en zo verder.
- Aandachtspunt inspelen:
- de bal moet in het midden worden geraakt zodat hij laag blijft.
- de juiste techniek hier voor is je schietbeen iets optillen.
- Aandachtspunt aannemen:
- De speler die de bal aanneemt, moet niet met het lichaam naar de bal staan maar 'open gedraaid'. Dit creëer je door het lichaam te positioneren naar de speler waar je op moet inspelen en je ogen gericht op de bal.
- Spelen we de bal rond met de klok mee dan wordt de bal aangenomen met links en speel ik door met rechts.
- Andere kant op neem je aan met rechts en speel je door met links.
- Als je merk dat het te makkelijk gaat, voer je eerst het tempo op. Daarna kun je om het moeilijker te maken de aanname eruit halen en moeten ze de bal direct doorspelen.
2e oefening:
- Speler B vraagt de bal.
- Speler A speelt speler B in.
- Dan laat B de bal vervolgens vallen op speler A waarna die hem weer doorspeelt op speler C.
- Speler C laat hem dan vallen op speler B en vervolgens speelt speler B schuin naar speler D enzovoort.
Aandachtspunten:
- De speler die de bal inspeelt moet na het inspelen doorlopen zodat hij de bal kan vragen, in het midden, tussen de pionnen in
- Niet verder want dan is het effect weg bij de crosspass.
- De speler die de bal terugkaats loopt om zijn eigen pion heen om weer de bal te vragen in het midden.
- Deze speler moet bij het terugkaatsen de juiste draai maken zodat hij zijn ogen op de bal houdt.
- Zijn draai moet kort richting het vak zijn en niet van het spel af.
Bij beide oefeningen na 8 minuten wisselen van spelrichting.
Met de klok mee passen we met rechterbeen, tegen de klok in met linkerbeen.
Met de klok mee passen we met rechterbeen, tegen de klok in met linkerbeen.
Vierkant met 5 spelers of driehoek met 4 spelers, op afstand van ongeveer 15 meter:
- Speler bij hoedje met 2 spelers begint.
- Speelt de bal in aan de goede kant en loopt achter zijn bal aan naar het andere hoedje.
- De speler die de bal ontvangt, draait open en neemt de bal goed aan, zodat deze hem in door kan spelen naar de volgende speler.
- Zowel linksom als rechtsom oefenen.
3 of 4 spelers per set:
- Twee hoedjes op afstand van ongeveer 15 meter.
- 2 spelers aan de ene kant en 1 of 2 spelers aan de andere kant.
- 1 van de 2 spelers speelt de bal naar de andere kant en loopt door tot halverwege het andere hoedje.
- De speler aan de andere kant neemt de bal en speelt deze in naar de speler die tot halverwege is gelopen.
- Deze speler kaatst de bal en loopt door naar het andere hoedje.
- De speler die de bal terug ontvangt, neemt de bal aan en speelt deze naar de speler aan de kant waar was begonnen.
- Zo doordraaien.
1e oefening:
- Speler A speelt de bal in naar B en loopt naar de positie van B.
- Speler B staat open gedraaid neemt aan en speelt hem door naar Speler C en zo verder.
- Aandachtspunt 1 inspelen: de bal moet in het midden worden geraakt zodat hij laag blijft.
- De juiste techniek hier voor is je schietbeen iets optillen.
- Aandachtspunt 2 aannemen: De speler die de bal aan moet nemen. moet niet met het lichaam naar de bal staan maar zoals men zegt open gedraaid. Dit creëer je door het lichaam te positioneren naar de speler waar je op moet inspelen en je gezicht let op de bal. Spelen we de bal rond met de klok mee wordt de bal aangenomen met links en speel ik door met rechts. andere kant op neem je aan met rechts en speel je door met links.
- Als je merk dat het te makkelijk gaat voer je eerst tempo op. Als dat ook te eenvoudig blijkt dan haal je de aanname eruit en moeten ze de bal direct doorspelen.
2e oefening:
- Speler B vraagt de bal. Speler A speelt speler B in. Dan laat B de bal vervolgens vallen op speler A waarna die hem weer doorspeelt op speler C.
- speler C laat hem dan vallen op speler B en vervolgens speelt speler B schuin naar speler D enzovoort.
Aandachtspunten:
- De speler die de bal inspeelt moet na het inspelen doorlopen zodat hij de bal vraagt in het midden tussen de pionnen in
- Niet verder want dan is het effect weg bij de crosspass.
- De speler die de bal terugkaats loopt om zijn eigen pion heen om dan weer de bal te vragen in het midden.
- Hierbij ligt de noodzaak dat deze speler bij het terugkaatsen de juiste draai maakt zodat hij zijn ogen op de bal houdt.
- Zijn draai moet kort richting het vak zijn en niet van het spel af.
Doel:
Verdedigers proberen de de bal snel te onderscheppen:
Oefening:
Verdedigers proberen de de bal snel te onderscheppen:
Oefening:
- Het spel start bij nummer 6 die trapt naar doelman
- Doelman speelt dan direct naar 2 of 4
- Op het ogenblik dat 2 of 4 wordt aangespeeld start de blauwe ploeg met de pressing en probeert de dieptepass te verhinderen
- De rode ploeg kan "scoren" door een dieptepass te geven naar nummer 6, die in zijn afgebakende zone over gans de breedte mag bewegen
- De blauwe ploeg kan scoren in het grote doel
Coaching:
- 2-5 van verdedigende partij direct druk op de bal
- 9 verdedigend dekt direct te lijn van de bal af
- 4 verdedigend direct doorstappen op nummer 5 aanvallende partij.
- 6 aanvallers met bal mee bewegen en mee doen met het spel
Duur: 15 min
Afstand:
- Rood vierkant 16 meter breed 15 meter lang.
- Blauwe pion achterste lijn in midden dan 5 meter naar binnen ander weer 5 meter verder.
- Witte pion in midden en 5 meter buiten het vak.
Uitleg:
- B vraagt de bal door Actieve verdediger uit balans te brengen en naar blauwe hoedje te sprinten.
- A speelt B in, B speelt C in met actieve verdediger in de rug, C speelt D in. D legt breed en C rond af.
- Heeft de actieve verdediger de bal afgepakt mag hij scoren.
- De speler die balverlies heeft geleden moet proberen de bal terug te veroveren van de verdediger.
- De oefening is dus voorbij al één van beide heeft gescoord.
- Doorschuiven A wordt verdediger- verdediger wordt B- B wordt C - C wordt D en D sluit achteraan.
- Begin met eerst aannemen en spelen zodat B moet omgaan met speler in de rug.
- Daarna zet je op de actieve verdedigers plaatsen de vaste verdedigers neer en maar je partij van.
- Wie meeste goals maakt in 5 minuten wint. Let op dan blijven de verdedigers staan A-B-C-D.
Coach momenten: juiste snelheid de bal inspelen zodat je mede speler er meteen mee kan handelen. Positie B is belangrijk om de bal meteen af te schermen tijdens de aannamen.
Duur: +-15 min
Afstand: Rood vierkant 16 meter breed 15 meter lang.
Blauwe pion achterste lijn, middelpunt dan 5 meter naar binnen en 5 meter verder de witte pion.
Afstand: Rood vierkant 16 meter breed 15 meter lang.
Blauwe pion achterste lijn, middelpunt dan 5 meter naar binnen en 5 meter verder de witte pion.
Uitleg:
- B vraagt de bal door Actieve verdediger uit balans te brengen en naar blauwe hoedje te sprinten.
- A speelt B in, B speelt C in met actieve verdediger in de rug, C speelt D in. D legt breed en C rond af.
- Heeft de actieve verdediger de bal afgepakt mag hij scoren.
- De speler die balverlies heeft geleden moet proberen de bal terug te veroveren van de verdediger.
- De oefening is dus voorbij als één van beide heeft gescoord.
- Doorschuiven A wordt verdediger- verdediger wordt B- B wordt C - C wordt D en D sluit achteraan.
- Begin met eerst aannemen en spelen zodat B moet omgaan met speler in de rug.
- Daarna zet je op de actieve verdedigers plaatsen de vaste verdedigers neer en maak je er een partij van.
- Wie de meeste goals maakt in 5 minuten wint.
- Let op dan blijven de verdedigers staan A-B-C-D.
Coach momenten:
Juiste snelheid de bal inspelen zodat je medespeler er meteen mee kan handelen.
Positie B is belangrijk om de bal meteen af te schermen tijdens de aannamen.
Juiste snelheid de bal inspelen zodat je medespeler er meteen mee kan handelen.
Positie B is belangrijk om de bal meteen af te schermen tijdens de aannamen.
- Afstanden:
- Rechthoek van 15 bij 5 meter.
- Pion B en C 5 meter van elkaar.
- Beide 2,5 meter van zijkant en 5 meter van A en D af.
- Duur: 10 minuten. Na 5 minuten wisselen van richting
- Uitleg:
- A speelt B in
- B laat bal op C vallen
- C speelt D in
- D neemt de bal in de beweging mee
- D speelt die in op E
- E neemt bal mee naar begin punt
- Loop lijnen: A wordt B, B wordt C etc.
- Aandachtspunten:
- Strakke ballen door de bal in hart te raken lichaam iets over de bal
- B moet de bal op C iets naar buiten kant laten vallen zodat er een vrije passlijn naar D is
- D's aannamen in de beweging en pass op E moet een vloeiende beweging worden zodat je de handeling in 2 keer raken kunt uitvoeren
- LET OP DAT DE BAL BIJ PUNT A PAS GESPEELD WORDT OP MOMENT DAT IEDEREEN OP ZIJN PLAATS STAAT. Zodat punt A even moet wachten dat iedere ronde voor zich staat en de concentratie blijft.
- Afstanden:
- Rechthoek van 15 bij 5 meter.
- Pion B en C 5 meter van elkaar.
- Beide 2,5 meter van zijkant en 5 meter van A en D af.
- Duur: 10 min.
- Na 5 min wisselen van richting
Uitleg:
- A speelt B in
- B laat bal op C vallen
- C speelt D in
- Op moment dat de bal bij D is moet A er zijn om de Kaats te maken.
- D kaatst op A en loopt direct door om weer ingespeeld te worden.
- A kaatst op D en D kaatst op E.
- E neemt bal mee naar beginpunt.
- Loop lijnen: A wordt B, B wordt C etc.
Aandachtspunten:
- Strakke ballen door de bal in hart te raken, lichaam iets over de bal.
- B moet de bal op C iets naar buitenkant laten vallen zodat er een vrije passlijn naar D is.
- A moet timen dat hij op juiste moment aanwezig is voor de kaats met D.
- Is hij te vroeg en moet hij te lang wachten betekent dit in de wedstrijd dat er weer tegenstander in zijn rug zit.
- Is hij te laat moet D wachten betekent het in de wedstrijd dat de tegenstander druk op D kan zetten.
- Om concentratie te behouden let erop dat de bal bij punt A pas gespeeld wordt op het moment dat iedereen op zijn plaats staat.
- Afstanden:
- Rechthoek van 15 bij 5 meter.
- Pion B en C 5 meter van elkaar.
- Beide 2,5 meter van zijkant en 5 meter van A en D af.
- Duur:
- 10 minuten. Na 5 minuten wisselen van richting
Uitleg:
- A speelt B in.
- B laat bal op C vallen.
- C speelt D in.
- D neemt de bal in de beweging mee.
- D speelt die in op E.
- Aandachtspunten:
- Strakke ballen door de bal in hart te raken, lichaam iets over de bal.
- B moet de bal op C iets naar buitenkant laten vallen zodat er een vrije passlijn naar D is.
- D's aannamen in de beweging en pass op E moet een vloeiende beweging worden zodat je de handeling in 2 keer raken kunt uitvoeren.
- Dit is een 4 tegen 4 positiespel met 2 kaatsers aan beide kanten -wit.
- De bal mag oneindig veel keer worden aangeraakt en als de bal uitgaat, speelt de trainer de bal in naar de partij voor wie de bal is.
- Als een team erin slaagt om 8 keer over te spelen zonder dat de bal wordt onderschept, mogen ze scoren in de doeltjes en hebben ze een punt.
Aandachtspunten:
- Veel beweging.
- Goede en strakke passing.
- Trainer legt spelsituaties uit.
- De bal verleggen naar de andere kant.
1e oefening:
- Je start de eerste oefening met de bal inspelen.
- De speler neemt aan en speelt hem door naar de volgende.
- De speler loopt ook de bal achterna zodat er elke keer iemand op de goede plek staat.
- Als je merk dat het te makkelijk gaat, schakel je over naar de tweede oefening en die gaat als volgt.
2e oefening:
- Speler 1 speelt speler 2 in. Deze laat de bal vervolgens vallen op speler 1 waarna die hem weer doorspeelt op speler 3.
- speler 3 laat hem dan vallen op speler 2 en vervolgens speelt speler 2 schuin naar speler 4 enzovoort.
Aandachtspunten:
- Laat de spelers elkaar coachen.
- Kijk of ze het overzicht bewaren.
- Als het te makkelijk gaat, leg dan het tempo hoger.
- Bij oefening 2 laat dan de speler echt onder de bal komen als ze de bal teruggekaatst krijgen.
- De spelers moeten zich aanbieden.
- De spelers moeten vragen om de bal.
- Er worden 4 rijen met hoedjes, elk op 10 meter afstand van elkaar geplaatst. Zoveel banen als je koppels hebt.
- Elke baan heeft een 2-tal met 1 bal.
- De spelers stellen zich op bij de eerste 2 rijen met hoedjes.
- De bal is bij blauw aan de zijlijn. Deze passt over de grond naar rood. Deze passt over de grond terug en loopt achteruit naar de volgende hoedjes.
- Nu passt blauw met een stevigere pass naar rood. Deze passt stevig terug en loopt achteruit naar de laatste rij hoedjes.
- Dan passt blauw met een hoge bal naar rood en loopt zelf naar de rij hoedjes die het dichtst bij rood is.
- Nu blijft rood op de achterste lijn staan en loopt blauw na iedere paas achteruit naar de volgende rij hoedjes.
Let op goede traptechniek en goede bal-aanname.
Afstanden 3 hoeken 10 meter om het moeilijker te maken verklein je de afstanden.
Afstand volgende driehoek 20 meter.
1e driehoek:
Afstand volgende driehoek 20 meter.
1e driehoek:
- A speelt B in.
- B speelt C in.
- C laat bal vallen op A.
- A geeft bal in loopt mee met C richting Pion.
- Looplijn A naar B , B naar C ,C wordt A.
2e driehoek:
- A2 speelt B2 in.
- B2 speelt C2 in.
- C2 laat bal vallen op A2.
- A2 speelt de bal op D2.
- D2 draait open, speelt E2 in.
- E2 speelt F2 in.
- F2 laat de bal op D2 vallen.
- D2 geeft bal in, loopt mee met F2 richting Pion.
- Looplijn A naar B, B naar C, C naar D, D naar E, E naar F, F wordt A.
3e driehoek:
- A3 speelt B3 in.
- B3 speelt C3 in.
- C3 laat bal vallen op A3.
- A3 speelt de bal op D3.
- D3 draait open speelt E3 in.
- E3 speelt F3 in.
- F3 laat de bal op D3 vallen.
- D3 speelt de bal op G3.
- G3 draait open speelt H3 in.
- H3 speelt I3 in.
- I3 laat de bal op G3 vallen.
- G3 geeft bal in loopt mee met I3 richting Pion.
- Looplijn A naar B . B naar C. C naar D. D naar E. E naar F. F naar G. G naar H. H naar I. I wordt A.
Organisatie:
Afstand pionnen A naar B is 10 meter.
Afstand pionnen B naar C is 5 meter.
Naar buiten beiden 8 meter.
Doel van de oefening is A gaat B coachen welke kant hij moet open draaien.
Afstand pionnen A naar B is 10 meter.
Afstand pionnen B naar C is 5 meter.
Naar buiten beiden 8 meter.
Doel van de oefening is A gaat B coachen welke kant hij moet open draaien.
- B komt los van de pion en vraagt aan A de bal.
- A speelt in op dat moment wijst C met zijn hand naar links of rechts.
- A coacht B naar de kant welke C op wijst.
- B draait open en geeft de bal mee aan C die naar het buitenste door hem aangewezen pion loopt.
- A naar B, B naar C en C naar A.
Eerst links, dan rechts, of beide kanten tegelijk indien genoeg spelers.
Stimuleren om links de linkervoet te gebruiken, rechts de rechtervoet.
Stimuleren om links de linkervoet te gebruiken, rechts de rechtervoet.
1. Speler A draait open naar buitenkant achter tegenstander uit.
2. Speler A passt vooruit naar speler B tussen de kegels.
3. Speler A loopt schuin naar kegel voor het doel.
4. Tegelijkertijd kapt/draait speler B uit de kegels richting doellijn.
5. Speler B passt schuin achter naar speler A die ondertussen aan de kegel staat.
6. Speler A schiet op doel.
7. Speler A wordt Speler B, Speler B sluit aan bij de startpositie.
- Lange pass rechtdoor grond of lucht van speler A rood naar speler B Blauw.
- Speler A loopt naar hoedje op de korte zijde.
- Speler B neemt de bal netjes aan en geeft cross pass naar speler A.
- Speler B loopt naar hoedje op de korte zijde.
- Speler A neemt de bal netjes aan & passt rechtdoor grond of lucht naar speler B.
Herhaling 4 x pass rechtdoor van speler A & 4 x cross van speler B.
Daarna herhaling maar wisseling speler A cross en speler B rechtdoor.
Daarna herhaling maar wisseling speler A cross en speler B rechtdoor.