Korfbaloefeningen voor kangoeroes
In het kort: diverse tikspelen.
Organisatie: baken een niet al te groot gebied (20 bij 10 Ã 20 meter) af met behulp van korven of pilonnen. Geef de tikkers als het er meer zijn, elk een lintje.
Weg met de bal. Eén van de spelers heeft een bal. De bal wordt willekeurig rondgespeeld. De tikker moet proberen die speler te tikken die de bal in handen heeft. Als de groep groot is, dan deze splitsen in tweeën (en dus ook met twee tikkers werken).
In het kort: oefeningen in het op het juiste moment pakken van ballen die stuiten of rollen.
Organisatie: per tweetal of drietal een bal.
- De nummers 1 en 2 van elk tweetal staan naast elkaar. Nummer 1 rolt de bal enkele meters weg. Nummer 2 moet zo snel mogelijk de bal bemachtigen, oppakken en teruggooien. Na 5 keer wisselen. Let er op dat de spelers zo snel mogelijk de bal 'pakken' door er, zodra dat mogelijk is, één hand op te leggen.
- Als 1., maar nu gooit nummer 1 de bal met een klein boogje weg, zodanig dat deze op circa 4 meter afstand stuit (en dan een stuit van ongeveer een halve meter hoog maakt). Nummer 2 moet proberen zo snel mogelijk na de stuit de bal te bemachtigen.
- Als 2, maar nu laat nummer 1 de bal vanaf 1,5 meter hoogte vallen vlak voor nummer 2. Deze moet weer proberen de bal zo snel mogelijk na de stuit te pakken. Het zal blijken dat vrijwel iedereen de bal rustig een eindje omhoog laat komen en dan pas de bal pakt. Fout! (in de tussentijd kan een tegenstander gauw nog even de hand op de bal leggen). Precies op het moment dat de bal omhoog gaat komen, moet de hand op de bal worden gelegd. Pak die bal!
- Drietallen, de aangever staat in het midden. Deze rolt de bal enkele meters weg. Zodra de bal los is, mogen de beide anderen lopen. Wie heeft de bal het eerst? Na 3 keer wisselen.
In het kort: eenvoudige vang-en werpoefening met veel loopwerk voor viertallen.
Organisatie: de vier spelers vormen een vierkant (afstand circa 10 meter, afhankelijk van het niveau), één van de vier heeft een bal. Als er mensen overblijven dan eventueel een of meer vijftallen vormen die in een vijfhoek gaan staan. Vrijwel alle onderdelen van de hiervoor beschreven oefening kunnen in deze organisatievorm worden beoefend.
Het verloop is als volgt:
Speler A plaatst de bal naar aangever B, loopt er snel achteraan, krijgt de bal terug en plaatst naar C. Hij krijgt de bal weer terug, speelt dan naar D, ontvangt de bal weer terug en werpt dan over vrij grote afstand weer naar B, om tot slot zijn oorspronkelijke plaats weer in te nemen. Intussen is B dan al voor zijn rondje gestart. Wanneer in elk viertal iedereen bijvoorbeeld 3 beurten heeft gehad komt de volgende oefening.
Variaties:
- De spelers lopen de andere kant om.
- De aangevers bewegen lichtjes heen en weer.
- Welk viertal is het snelst klaar? (iedereen moet drie keer lopen).
- Let er bij dit wedstrijdvormpje op dat de afstanden niet plotseling kleiner worden!
In het kort: beoefenen van diverse vormen van het schot in een leuke wedstrijdvorm.
Organisatie: per groepje een korf en een bal, de korven staan bij voorkeur (maar niet beslist noodzakelijk) in een cirkel of rechthoek opgesteld. Het aantal personen per groepje is minder belangrijk (wel alle groepjes ongeveer even groot).
pionnen zetten op 1,3,5 meter
De eerste opdracht aan de groepjes luidt: maak 10 doorloopbal doelpunten. Als je daarmee klaar bent, loopt de maker van het laatste doelpunt naar de trainer om daar de volgende opdracht te halen. Welk groepje heeft het eerst alle opdrachten uitgevoerd?
De trainer loopt intussen kriskras rond, aanmoedigingen gevend of her en der corrigerend. Hij heeft een papiertje bij zich waarop een rij opdrachten staat. Als iemand komt om de volgende opdracht te halen, eerst even vragen welke opdracht net is uitgevoerd (dat kan na verloop van tijd behoorlijk uiteen lopen) en dan de volgende opdracht meegeven. Een voorbeeldlijstje: 10 doorloopballen, 15 strafworpen, 5 schoten van 8 meter, 10 doorloopballen van achter de korf, 5 uitwijkballen naast de paal, 10 schoten van 6 meter. Alles kan natuurlijk, veel vaart komt erin als het aantal te maken doelpunten klein gehouden wordt.
Opdrachten:
- 6 scores van 2,5 meter voor de korf
- 6 scores van 1 meter voor de korf
- 6 scores van 6 meter voor de korf
- 6 scores van 2,5 meter achter de korf
- 6 scores van 1 meter achter de korf
- 6 scores van 6 meter achter de korf
In het kort: oefeningen in het op het juiste moment pakken van ballen die stuiten of rollen.
Organisatie: per drietal een bal en een korf.
- Drietallen,
- de aangever staat in het midden onder de korf.
- Deze rolt de bal enkele meters weg.
- Zodra de bal los is, mogen de beide anderen lopen.
- Wie de bal het eerst heeft, mag een omdraaibal maken of een aanval met tussenpass?
- Na 3 keer wisselen.
- De trainers laat de kinderen warmlopen in een vast patroon (ronde of vierkant).
- De kinderen lopen achter elkaar met enige afstand tussen hen.
- Het voorste kind ontvangt de bal van de trainer.
Variant 1
- Terwijl er wordt gelopen wordt de bal doorgegeven d.m.v. een worp (korte pass), de ontvanger gooit de bal door naar de volgende in rij.
- De achterste persoon plaatst de bal weer terug naar de laatste werper en de bal legt de gehele route af in omgekeerde volgorde.
- Leg waar nodig accent op de techniek en vraag welke vorm van passen het meest effectief is.
Variant 2
- Gelijk aan variant 1, maar nu wordt de bal achterwaarts geplaatst zonder te kijken (op gevoel dus).
- Het accent ligt nu dus op het (ont)vangen van de bal.
- De laatste in rij die de bal ontvangen, sprint met de bal naar voren om daar een nieuwe ronde te starten.
- Er loopt dus steeds iemand anders voorop.
Uitbreiding:
Om het iets moeilijker te maken kun je 1 of 2 verdedigers aanwijzen die het werpen bemoeilijken en die proberen te storen en de bal te onderscheppen.
In het kort: oefeningen in het op het juiste moment pakken van ballen die stuiten of rollen.
Organisatie: per tweetal of drietal een bal.
a ) De nummers 1 en 2 van elk tweetal staan naast elkaar. Nummer 1 rolt de bal enkele meters weg. Nummer 2 moet zo snel mogelijk de bal bemachtigen, oppakken en teruggooien. Na 5 keer wisselen. Let er op dat de spelers zo snel mogelijk de bal 'pakken' door er, zodra dat mogelijk is, één hand op te leggen.
b ) Als a., maar nu gooit nummer 1 de bal met een klein boogje weg, zodanig dat deze op circa 4 meter afstand stuit (en dan een stuit van ongeveer een halve meter hoog maakt). Nummer 2 moet proberen zo snel mogelijk na de stuit de bal te bemachtigen.
c ) Als b., maar nu laat nummer 1 de bal vanaf 1,5 meter hoogte vallen vlak voor nummer 2. Deze moet weer proberen de bal zo snel mogelijk na de stuit te pakken. Het zal blijken dat vrijwel iedereen de bal rustig een eindje omhoog laat komen en dan pas de bal pakt. Fout! (in de tussentijd kan een tegenstander gauw nog even de hand op de bal leggen). Precies op het moment dat de bal omhoog gaat komen, moet de hand op de bal worden gelegd. Pak die bal!
In het kort: beoefenen van diverse vormen van het schot in een leuke wedstrijdvorm.
Organisatie: per groepje een korf en een bal, de korven staan bij voorkeur (maar niet beslist noodzakelijk) in een cirkel of rechthoek opgesteld. Het aantal personen per groepje is minder belangrijk (wel alle groepjes ongeveer even groot).
De eerste opdracht aan de groepjes luidt: maak 10 doorloopbal doelpunten. Als je daarmee klaar bent, loopt de maker van het laatste doelpunt naar de trainer om daar de volgende opdracht te halen. Welk groepje heeft het eerst alle opdrachten uitgevoerd?
De trainer loopt intussen kriskras rond, aanmoedigingen gevend of her en der corrigerend. Hij heeft een papiertje bij zich waarop een rij opdrachten staat. Als iemand komt om de volgende opdracht te halen, eerst even vragen welke opdracht net is uitgevoerd (dat kan na verloop van tijd behoorlijk uiteen lopen) en dan de volgende opdracht meegeven. Een voorbeeldlijstje: 10 doorloopballen, 15 strafworpen, 5 schoten van 8 meter, 10 doorloopballen van achter de korf, 5 uitwijkballen naast de paal rechts, 10 strafworpen, 10 schoten van 3 meter achter de korf, 5 uitwijkballen naast de paar links, 10 schoten van 6 meter. Alles kan natuurlijk, veel vaart komt erin als het aantal te maken doelpunten klein gehouden wordt.
De organisatie in de volgende oefeningen is dat twee spelers tegenover elkaar staan. Per tweetal een bal. De afstand is te variëren, maar spelers mogen niet op maximale afstand gaan oefenen. Laat de spelers niet te ‘stijf’ staan, ze moeten losjes en ontspannen op de plaats kunnen bewegen.
Oefening 1
Spelers werpen elkaar de bal toe met twee handen en vangen met twee handen. Plaatsen op borsthoogte. Besteed aandacht aan of het werpen of het vangen, niet beide tegelijk.
Variaties: welk tweetal kan het snelst 25 keer heen en weer gooien, wie kan het vaakst overspelen zonder de bal te laten vallen.
Oefening 2
Als oefening 1, maar de bal iets hoger toespelen, niet zo hoog dat men moet springen, dus net boven het hoofd. Let met name op het vangen en de positie van de duimen, iets dichter bij elkaar dan bij oefening 1.
Oefening 3
Als oefening 1, maar de bal wordt op kniehoogte aangespeeld. Let met name op de pinken, iets dichter bij elkaar en naar de grond wijzend.
Oefening 4
De spelers iets dichter bij elkaar laten staan en met een stuit overgooien.
Oefening 5
De spelers gooien de bal afwisselend hoog, laag, met een stuit of op borsthoogte aan.
Variaties
Dezelfde oefeningen kunnen op grotere afstand worden uitgevoerd. Een leuke variatie is spelers dicht bij elkaar laten beginnen en na 3 keer goed heen en weer gooien steeds een kleine stap verder uit elkaar te laten staan. Na verloop van tijd
komt men ver uit elkaar en zal de maximale afstand worden bereikt. Laat spelers hooguit 3 keer op maximale afstand gooien, zeker niet meer of verder.
In het kort: aardige schietoefening met veel loopwerk.
Organisatie: de korven worden in een cirkel geplaatst. Bij elke korf staat een aangever met een bal. De rest van de spelers staat midden in de cirkel (het midden moet duidelijk herkenbaar zijn.
In de zaal is vaak wel een cirkel aanwezig, op het veld moet een pilon geplaatst worden). Het aantal korven komt heel precies: streef naar 2 korven per 5 spelers.
a ) De spelers in de middencirkel krijgen de opdracht om doorloopballen te nemen op één van de korven, het geeft niet welke. Aangezien er iets meer spelers in de cirkel staan dan er vrije korven zijn, komt het erop aan om snel een vrije korf te zoeken. Wie niet vlug genoeg is, moet dus even wachten. En als Jantje al op weg is naar een korf, maar op het laatste moment nog voorbij gelopen wordt door Marietje, die harder loopt, dan moet Jantje terug naar de middencirkel om van daaruit opnieuw een poging te wagen. Ieder vangt zijn eigen doorloopbal af. Na het aangeven loopt een ieder door de middencirkel of om de pilon heen om vervolgens weer zo snel mogelijk een vrije korf te zoeken.
b ) Als a., maar nu met de opdracht: Wie maakt het eerst 10 doelpunten? Ook degenen die eerst dachten: 'Laat maar, hij loopt toch harder dan ik' zullen nu proberen om toch als eerste bij die vrije korf te komen. Let erop dat men niet gaat 'afsnijden' door niet meer door de middencirkel of om de pilon te lopen.
c ) Als b., maar met de opdracht: 'Wie maakt het eerst op elke korf een doelpunt?
d ) Als b., maar met bovenhands genomen doorloopballen.
e ) Als b., maar er volgt een 'overneemsituatie': de loper vanuit de middencirkel speelt na de bal ontvangen te hebben, de bal terug op de aangever die bij de paal is weg gestart. De oorspronkelijke aangever moet proberen van uit dit wegstarten te scoren. Wie maakt het eerst 5 doelpunten?
f ) Als b., maar de loper neemt uitwijkballetjes (naar keuze links of rechts, afstanden niet te groot). De aangever vangt ook het schot af. De schutter loopt na het schot meteen naar de korf en krijgt daar de bal van de afvanger, die zich zal haasten om via het midden zelf weer een poging te wagen, want: wie heeft het eerst 5 keer gescoord?
g ) Als f., maar na de uitwijkbeweging volgt geen schot: de bal gaat terug naar de aangever die bij de korf is weggestart. Deze schiet met een kwart/halve draai. De schutter loopt weer naar het midden, de ander vangt (uiteraard) de bal af. Variatie: De oefening kan ook worden gedaan met verdedigers erbij. Deze hebben natuurlijk een ondankbare taak: de aanvaller heeft de keus uit een groot aantal korven. Welke aanvaller heeft het eerst 10 doorloopballen of 5 doelpunten uit uitwijkballen gescoord?
De meeste korfballers vinden het bovenstaande een leuke ontspannen oefening, die heel geschikt is om een training mee te starten, men kan er net zoveel energie in kwijt als waar men aan toe is. Als het moment daar is om iedereen echt aan het werk te zetten, volgt b.:
In het kort: aardige schietoefening met veel loopwerk.
Organisatie: de korven worden in een cirkel geplaatst. Bij elke korf staat een aangever met een bal. De rest van de spelers staat midden in de cirkel (het midden moet duidelijk herkenbaar zijn).
In de zaal is vaak wel een cirkel aanwezig, op het veld moet een pilon geplaatst worden.
Het aantal korven komt heel precies: streef naar 2 korven per 5 spelers.
a )
- De spelers in de middencirkel krijgen de opdracht om doorloopballen te nemen op één van de korven, het geeft niet welke.
- Aangezien er iets meer spelers in de cirkel staan dan er vrije korven zijn, komt het erop aan om snel een vrije korf te zoeken.
- Wie niet vlug genoeg is, moet dus even wachten.
- En als Jantje al op weg is naar een korf, maar op het laatste moment nog voorbij gelopen wordt door Marietje, die harder loopt, dan moet Jantje terug naar de middencirkel om van daaruit opnieuw een poging te wagen.
- Ieder vangt zijn eigen doorloopbal af.
- Na het aangeven loopt een ieder door de middencirkel of om de pilon heen om vervolgens weer zo snel mogelijk een vrije korf te zoeken.
b ) Als a., maar nu met de opdracht: Wie maakt het eerst 10 doelpunten?
Ook degenen die eerst dachten: 'Laat maar, hij loopt toch harder dan ik' zullen nu proberen om toch als eerste bij die vrije korf te komen. Let erop dat men niet gaat 'afsnijden' door niet meer door de middencirkel of om de pilon te lopen.
c ) Als b., maar met de opdracht: 'Wie maakt het eerst op elke korf een doelpunt?
d ) Als b., maar met bovenhands genomen doorloopballen.
e ) Als b., maar er volgt een 'overneemsituatie': de loper vanuit de middencirkel speelt na de bal ontvangen te hebben, de bal terug op de aangever die bij de paal is weg gestart. De oorspronkelijke aangever moet proberen van uit dit wegstarten te scoren. Wie maakt het eerst 5 doelpunten?
f ) Als b., maar de loper neemt uitwijkballetjes (naar keuze links of rechts, afstanden niet te groot). De aangever vangt ook het schot af. De schutter loopt na het schot meteen naar de korf en krijgt daar de bal van de afvanger, die zich zal haasten om via het midden zelf weer een poging te wagen, want: wie heeft het eerst 5 keer gescoord.
Een leuke variant van het gewone tikkertje.
Je hebt namelijk een kat (de tikker) en je hebt muizen. De muizen hebben lintjes in hun broek van achter. Dit is als het ware de staart van de muis.
Zorg ervoor dat de staart er een redelijk eindje uit hangt want anders kan de kat ze niet pakken.
De muizen lopen weg en de kat gaat proberen alle staarten te pakken. Is de muis zijn staart afgepakt dan is hij of zij af en mag ze aan de kant gaan zitten.
Variant: Als de muis zijn staart afgepakt is dan mag de muis mee helpen met de kat en wordt het ineens ook een kat.
Als je een beetje groot team hebt kun je al beginnen met 2 katten.

Verdelen in 2 teams.
In elke team krijgen de kinderen nummers (in stilte per team gaan geven). Zodra iedereen een nummer heeft komt de bal in het midden tussen de teams te liggen.
Dan roepen wij een nummer (mogen ook meerdere nummers zijn) en proberen ze om het eerste te bal terug naar hun "kamp" te brengen.
Zodra een kind de bal in het midden genomen heeft, mag het andere kind hem proberen te tikken.

4 kinderen staan naast elkaar, ongeveer 5 meter uit elkaar.
1 kind gaat werken:
Ontvangt de bal aan de eerste kegel, geeft terug aan de speler aan de overkant, en loopt door naar de tweede kegel enzovoort.
Aan de achterste kegel keert hij terug 100% sprint.
Variatie:
Eerste alle passen met links, dan met rechts, dan 2 handen, dan hoog in de lucht gooien en in de lucht teruggooien.
In het kort: diverse tikspelen.
Overlopertje. De spelers staan aan een lange zijde van een rechthoekig gebied (ongeveer ter grootte van een gymzaal). De tikker loopt ergens midden in het gebied. Op teken van de trainer moeten alle spelers overlopen naar de andere lange zijde. De tikker probeert hierbij zoveel mogelijk spelers te tikken. Is men door het vak gekomen, dan wacht men op het volgende teken om weer terug te lopen. Wie wordt in bijvoorbeeld 6 keer niet getikt? Dit tikspelletje kan ook dienen als een speelse oefening in het verdedigen
In het kort: oefening om de verdedigster te leren ballen te onderscheppen.
Organisatie: drietallen met een bal bij een korf. Er zijn twee aanvalsters die stil staan, en een verdedigster.
a ) Aanvalster A1 werpt de bal naar A2. Verdedigster V verdedigt A2 en probeert het aanspelen van de bal te onderbreken. Ze kan aan de houding, het gedrag of zelfs aan de ogen van A2 zien, dat de bal in aantocht is. Door één of beide armen te heffen, tracht ze de bal te blokkeren. Na bijvoorbeeld 10 pogingen wisselen van functie. Bij dit onderdeel wordt de korf nog niet gebruikt. De aanvalsters A1 en A2 moeten het spel mee spelen, zeker in het begin moeten ze de verdedigster (als die het goed doet) de bal één of meer keren laten onderscheppen.
b ) Als a., maar nu draait de verdedigster zich om zodra ze het idee heeft dat de bal er aan komt, en ze probeert zo de bal te onderscheppen. Deze methode brengt veel meer risico met zich mee, en is daarom meestal minder geschikt, hoewel ik korfbalsters ken die op deze wijze het leven van de aanvalsters ongelooflijk zuur kunnen maken.
Je gaat op 1 meter staan en schiet. Als je gescoord hebt dan mag je op 2 meter gaan staan. Heb je daar gescoord ga je op 3 meter staan enz. enz.
Je kunt zelf de afstand bepalen en ook met hoeveel.
Ook kun je er voor kiezen om bijv. tot de 5 meter te gaan en daarna weer terug naar de 1 meter. Je kunt ieder voor zich doen, maar ook in teams:
Scoren is belonen, dus heb je gescoord dan mag je nog een keer schieten van een meter verder. Scoor je niet dan mag de volgende op jou plek staan en gaan jullie als team verder.
- het chaos spel is leuk voor jongere kinderen, maar is ook met oudere te spelen.
- bij het Chaos spel is het de bedoeling dat elk kind een bal heeft, en dat er 3 Ã 4 palen (ook afhankelijk van het aantal spelers)
- op een rijtje staan.
- elke speler begint bij dezelfde paal,
- er wordt afgeteld en dan beginnen ze allemaal te schieten,
- scoren ze mogen ze een paal verder,
- scoren ze niet blijven ze net zo lang bij de paal staan tot ze wel gescoord hebben.
- je kan van tevoren afspreken of ze 1,2 of 3 keer langs elke paal moeten zijn geweest afhankelijk van het niveau.
- variatie: je kan met pionnen een cirkel aangeven waarbuiten de spelers moeten schieten,
- ze mogen er alleen binnen komen om de bal af te vangen.
- onderstaande materialen gelden voor 4 personen (hoedje = pion)
Leuke variatie van het originele 'tikkertje'. een kind is de tikker. De rest rent weg. De tikker probeert iemand te tikken. Wanneer een kind getikt wordt, leg deze de hand op de plek maar getikt is. Nu is het getikte kind de nieuwe tikker. Als deze weer een nieuw kind getikt heeft, mag hij zijn hand van zijn plek afhalen.
Bijvoorbeeld:
Kind A tikt kind B op de schouder. Kind B legt zijn hand op de schouder en probeert zo de volgende te tikken. Hij tikt kind C op de bovenarm en kan weer zijn hand loslaten en gewoon wegrennen. Kind C legt zijn had op zijn bovenarm en gaat tikken.
Bij oefenen van 1:1 duel voor de aanvaller is de rol van de verdediger heel belangrijk. Door zijn doen of laten dwingt hij de aanvaller tot een bepaalde actie. Doseer de verdedigers om de aanvaller gefaseerd de techniek en vooral timing aan te leren.
Het aanspeelbaar blijven is niet zo moeilijk als de aanvaller groter is dan de verdediger, de bal kan eenvoudig hoog worden aangespeeld. Bij kleinere aanvallers is het moeilijker, overheen spelen is vaak een boogbal die achter de aanvaller wordt geplaatst. Door te bewegen in de breedtelijn voor de korf moet de aanvaller zien los te komen.
De organisatie is in drie- of viertallen een vaste functieverdeling, 1 of 2 aangevers, een aanvaller en een verdediger. Oefeningen duren steeds 45 seconden.
Oefening 1
De aanvaller komt zoveel mogelijk tot schot, elk soort schot is toegestaan. De verdediger volgt alleen, hij blokkeert de schoten of het aangeven niet.
Oefening 2
De verdediger probeert alle afstandschoten te blokkeren. De aanvaller kan doorloopballen nemen. Als de verdediger niet voldoende nadert kan het schot alsnog worden genomen.
Oefening 3
De verdediger gaat de doorloopbal onmogelijk maken door een veilige afstand in acht te houden. De aanvaller zal meer gaan schieten.
Het zal blijken dat de aanvaller steeds verder bij de korf vandaan komt te staan, waardoor de schoten aan kwaliteit inboeten. De aanvaller moet de tegenstander eerst opzoeken en als de afstand klein genoeg is een uitwijkbeweging maken. Het opzoeken van de tegenstander gaat het eenvoudigst door te doen alsof er een doorloopbal wordt genomen, dus hoog looptempo.
Oefening 4
De aanvaller speelt samen met de aangever(s) en kan geduldig zoeken naar de goede kans. Binnen de tijd mag de aanvaller drie kansen creëren. De aanvaller leert dat niet elke kans moet worden genomen.
Oefening 5
De aanvaller krijgt de opdracht tweemaal te scoren in 45 seconden, in welke vorm dan ook.
In de voorgaande oefeningen heeft de verdediger zich slechts beperkt tot het voorkomen van schieten. De oefeningen kunnen worden herhaald waarbij de verdediger het aanspelen belemmert. De aanvaller moet nu reageren en moeite doen om aanspeelbaar te zijn en te blijven. Na het ontvangen van de bal is er vaak ruimte voor een schot.
Oefening 1
Een aangever onder de korf met bal, een afvanger achter de korf en de aanvallers voor de korf op acht meter. De aanvaller neemt een afstandschot uit beweging, willekeurig links of rechts. De aangever sluit aan bij de aanvallers, de afvanger wordt aangever en de aanvaller wordt afvanger.
Wat kun je zien?
- Roulatie van rollen kost gewenning.
- Niet iedere speler weet waar vandaan hij kan schieten.
- Spelers hebben moeite bij het afvangen om in te schatten waar de bal komt.
- Het werpen naar een lopende aanvaller gebeurt onnauwkeurig.
- Timing van de lichaamshouding van de aanvaller voor het schot. Het is pas goed als de schutter staat op het moment dat de bal gevangen wordt. Staan betekent: frontaal in de richting van de korf staan, neus en navel wijzen richting paal en de voeten staan in een lichte spreidstand.
- Het vangen van de bal bij de schutter gebeurt in twee fasen, ten eerste wil de schutter de bal bemachtigen, daarna wordt de bal goed in de handen genomen om een schot te kunnen lossen. Het is pas goed als na het vangen direct een schot kan worden ingezet. Let dus op de juiste vanghouding van de handen alvorens het schot wordt ingezet.
Oefening 2
Als vorige oefening, maar na het schot blijft de schutter wachten tot de bal is afgevangen en neemt een doorloopbal. De afvanger vangt ook de doorloopbal af.
Wat kun je zien?
- Het geduldig wachten na het schot, terwijl de schutter in beweging is, is moeilijk voor de schutter omdat de concentratie al gaat naar de doorloopbal. Het schieten is dan slechts een beurt invullen en geen poging om te scoren. Concentratie van het schot betekent ook het volgen van de bal nadat deze is losgelaten.
- Het afvangen van het schot, aangeven van de doorloopbal en afvangen van de doorloopbal levert storingen op.
Oefening 3
Als vorige oefening, maar voordat de schutter de doorloopbal neemt, ontvanger hij de bal, maakt een schijnschot, gooit terug met één hand naar de aangever en neemt dan pas een doorloopbal. Een schijnschot betekent dat de beginhouding van het schot wordt ingenomen, de bal met twee handen wordt gestrekt maar niet wordt losgelaten. In plaats daarvan gooit de schutter terug naar de aangever met één hand. De keuze links of rechts is vaak afhankelijk van de positie van de verdediger, daar wordt bij de volgende oefening aandacht aan besteed.
Oefening 4
Als vorige oefening, maar de 1e aangever sluit niet direct aan achter de aanvallers. Na het eerste schot van de schutter (dit schot blijft zonder tegenstander) zal de afvanger de bal gooien naar de schutter. Op dat moment gaat de 1e aangever als verdediger naar de schutter om het (schijn)schot te blokkeren. De schutter passeert de verdediger en neemt de doorloopbal. De verdediger sluit nu aan achter de aanvallers.
Wat kun je zien?
- Door veel voorbeelden en geduldig oefenen komt er beheersing van de vorm.
- Het schijnschot wordt overgeslagen, er wordt direct na het ontvangen van de bal met twee handen naar binnen geplaatst. Leg accent op het schijnschot om de tegenstander te foppen.
- Het naar binnen werpen gebeurt niet nauwkeurig en niet met één hand.
- Het aantal doelpunten kan in het begin tegenvallen omdat er veel concentratie uitgaat naar de vorm van de oefening. Met name de juiste keuze om de verdediger voorbij te spelen is van belang, dat dat in eerste instantie ten koste gaat van de score is acceptabel.
- De verdediger moet attent zijn om botsingen te voorkomen.
- De verdediger kan zijn handen gebruiken om de pass naar binnen te blokkeren. Dit leidt tot nieuwe moeilijkheden voor de aanvaller. Faseer de druk die de verdediger uitoefent (bijvoorbeeld met twee handen op de rug, dan een hand gebruiken, verplicht inspringen en dan pas volledig verdedigen op het schot.)
Oefening 5
Een afvanger achter de paal, een aangever met bal onder de korf en een aantal aanvallers op 3 meter voor de korf. De leergang van de uitwijkbal wordt in deze en volgende oefeningen behandeld. De schutter op 3 meter ontvangt de bal, zijn beginhouding is als bij het schot uit stand, een kleine spreidstand. Verzet het rechterbeen iets naar achter, vind de balans op dat rechterbeen door iets met het linkerbeen a te zetten. Schiet vanuit deze balans gericht op de korf. Oefen een aantal maal op schieten op het rechter been, vervolgens op het schieten op het linkerbeen.
Schutter wordt afvanger, afvanger wordt aangever en aangever sluit weer aan bij de aanvallers.
Oefening 6
Als vorige oefening, maar de bal wordt pas gegooid als de schutter de linkervoet kruist voor de rechtervoet (bij een uitwijkbeweging naar rechts). De schutter moet het ritme zien te vinden van de pas naar rechts, ontvangst van de bal, balans zoeken op het rechterbeen en het goed strekken van armen en benen voor het gerichte schot.
Oefening 7
De aanvallers staan op 6 meter voor de korf. De schutter loopt richting korf, op de strafworpstip stopt hij en wijkt uit naar rechts. Op dat moment werpt de aangever de bal. De schutter maakt een uitwijkbal. De schutter mag een pas lopen bij het vinden van de balans. Het linkerbeen fungeert als speelbeen om de balans te houden.
De spelers leren van de voorbeelden die worden gegeven. Als trainer kan je de oefening zelf uitvoeren, ook in slowmotion om de richting van de balans goed te laten zien. Oefen deze beweging ook naar links.
Oefening 8
Na de uitwijkbal neemt de schutter een doorloopbal. De afvanger vangt nogmaals af. De schutter laten bewegen na de uitwijkbal alvorens de doorloopbal in te zetten. Dat kan in dezelfde richting als de uitwijkbal, of in tegengestelde beweging. Waak ervoor dat men verder van de korf gaat lopen.
Oefening 9
De uitwijkbal wordt een schijnschot en omgezet in een doorloopbal. De vloeiende beweging van het schijnschot omzetten in een pass naar binnen vereist meer controle in de balans. De bal met één hand naar de korf gooien.
Wat kun je zien?
- De coördinatie van vangen naar een balans stappen is een probleem.
- De schutter bepaalt de coördinatie door een ritme, soms met behulp van een hink.
- Schutters komen bij een uitwijkbal naar rechts op linkerbeen terecht bij het vinden van balans. Dit maakt het indraaien naar de korf voor het schot moeilijk.
- De uitwijkbal is een optie in het spel omdat een doorloopbalpoging wordt afgebroken omdat de verdediger goed bij blijft. Op den duur wordt de uitwijkbal een zelfstandige manier om vrij te komen.
Oefening 10
De aangever fungeert als verdediger om de schutter onder druk te zetten. Na de uitwijkbeweging naar rechts geeft de aangever de bal en tracht de aangever het schot te blokkeren. De schutter gaat voor het schot.
Oefening 11
Idem, maar de schutter heeft als alternatief de bal naar de in de korfzone aanwezige ‘afvanger’ te gooien en een doorloopbal te nemen. De verdediger gaat nog steeds voor het blokkeren van het schot. Reeds eerder is beschreven hoe de verdediger gefaseerd kan worden.
- Gooien om iemand te laten scoren
Oefening 12
Twee spelers staan op 7 meter voor de korf en acht meter uit elkaar. Een speler met de bal onder de korf en een afvanger iets achter de korf. Een speler voor de korf neemt de doorloopbal die uit de ruimte wordt aangegeven, nadat de andere speler voor de korf de bal heeft ontvangen.
De doorloopbal wordt afgevangen door de afvanger. A1 wordt A2, A2 wordt A3, A3 wordt A4 en A4 wordt A1.
Wat kun je zien?
- De aangever leert dat de schutter alleen een doorloopbal kan nemen als het werpen rustig wordt voorbereid, voor de schutter wordt gegooid en de bal geplaatst wordt op juiste hoogte.
- Looptempo en loopweg van de schutter kunnen geregeld worden door het werptempo, balbaan en het baltempo.
- Het leren beheersen van problemen als timing eisen veel herhaling en soms aanpassing van de gehanteerde afstanden.
- De problemen voor de schutter, de beginhouding van de doorloopbal is anders omdat het lichaam gedraaid is voor balontvangst, leiden tot onzuivere acties. Blijf hier attent op.
- De handelingssnelheid moet worden opgevoerd.
Oefening 13
Als oefening 12, maar de aangever gooit de bal naar een schutter die uitwijkt naar een positie schuin achter de korf. Er is sprake van een bal door het midden waarbij de aangever uit de ruimte in wedstrijdsituatie rekening moet houden met twee tegenstanders, zijn directe tegenstander en de tegenstander van de schutter, immers die loopt niet ver van de ballijn.
Oefening 14
Als oefening 13, maar de schutter maakt een schijnschot en speelt de bal door naar de speler onder de korf die een doorloopbal aangeeft.
Oefening 15
Oefenen van gooien en vrijkomen op de korte en lange lijn. De aangever staat ver naast de korf. De schutter staat voor in het vak aan de zijde van de aangever. De schutter loopt naar de aangever toe (de korte lijn), ontvangt de bal en schiet. De aangever wordt schutter, de schutter loopt naar achter de korf, de afvanger komt op de positie
van de aangever terecht, nadat de bal naar de volgende aangever is gegooid.
Oefening 16
Als oefening 15, maar de schutter kiest de lange lijn na een schijnbeweging in de richting van de korte lijn of korf te hebben gemaakt.
Oefening 15 en 16 kunnen met tegenstander bij de schutter worden getraind, zodat de aangever leert inschatten wanneer iemand vrij staat. Doseer de verdediger. Bij het gebruik van een verdediger kan de 2e aangever (die in feite niets doet) fungeren als verdediger. De roulatie na de oefening is dan: aangever wordt verdediger, verdediger wordt schutter, schutter wordt afvanger en afvanger wordt aangever (na een combinatie met een speler).
De organisatie in de volgende oefeningen is dat twee spelers tegenover elkaar staan. Per tweetal een bal. De afstand is te variëren, maar spelers mogen niet op maximale afstand gaan oefenen. Laat de spelers niet te ‘stijf’ staan, ze moeten losjes en ontspannen op de plaats kunnen bewegen.
Oefening 1
Spelers werpen elkaar de bal toe met twee handen en vangen met twee handen. Plaatsen op borsthoogte. Besteed aandacht aan of het werpen of het vangen, niet beide tegelijk.
Variaties: welk tweetal kan het snelst 25 keer heen en weer gooien, wie kan het vaakst overspelen zonder de bal te laten vallen.
Oefening 2
Als oefening 1, maar de bal iets hoger toespelen, niet zo hoog dat men moet springen, dus net boven het hoofd. Let met name op het vangen en de positie van de duimen, iets dichter bij elkaar dan bij oefening 1.
Oefening 3
Als oefening 1, maar de bal wordt op kniehoogte aangespeeld. Let met name op de pinken, iets dichter bij elkaar en naar de grond wijzend.
Oefening 4
De spelers iets dichter bij elkaar laten staan en met een stuit overgooien.
Oefening 5
De spelers gooien de bal afwisselend hoog, laag, met een stuit of op borsthoogte aan.
Variaties
Dezelfde oefeningen kunnen op grotere afstand worden uitgevoerd. Een leuke variatie is spelers dicht bij elkaar laten beginnen en na 3 keer goed heen en weer gooien steeds een kleine stap verder uit elkaar te laten staan. Na verloop van tijd
komt men ver uit elkaar en zal de maximale afstand worden bereikt. Laat spelers hooguit 3 keer op maximale afstand gooien, zeker niet meer of verder.
Oefening 6
Een speler is de werker en een speler is de aangever. De werker komt vanaf circa 10 meter aanlopen richting aangever, de bal wordt met twee handen gegooid. De werker stopt, vangt de bal met twee handen, gooit terug met twee handen en loopt terug naar beginpositie. Oefening tienmaal uitvoeren en dan wisselen van taak.
Oefening 7
Als oefening 6, maar teruggooien in de loop. Bij ervaren spelers kan de werker de bal ontvangen bij het tegemoetkomen maar ook bij het weglopen.
Oefening 8
De werker loopt op circa 5 meter afstand links en rechts van de aangever, de aangever gooit met twee handen aan als de werker bij het keerpunt is. Let op dat de bal voor de werker wordt gegooid en op het indraaien van het lichaam alvorens de bal wordt gevangen. Het keerpunt kan worden gemarkeerd, bij ervaren spelers is dit niet nodig. Ervaren spelers moeten blijven lopen totdat de bal is gegooid, de aangever heeft de taak om de afstanden in te schatten.
Oefening 9
De werker beweegt in een halve cirkel voor de aangever, waarbij naar de aangever toe kan worden gelopen, links en rechts kan worden gelopen en van de aangever af.
Oefening 10
Tegenover elkaar staande spelers. De spelers werpen de bal met één hand toe en vangen met twee handen. Oefen 25 keer met rechts en 25 keer met links.
Variaties: welk tweetal kan het snelst 25 keer heen en weer gooien, wie kan het vaakst overspelen zonder de bal te laten vallen.
Oefening 11
Als oefening 10. Met twee handen werpen en met één hand vangen, de vanger geeft aan op welke hand. Oefen dit 25 keer rechts en 25 keer links.
Oefening 12
Als oefening 10. Speler gooien met één hand en vangen met één hand, steeds dezelfde hand.
Oefening 13
Als oefening 12, maar de bal wordt gevangen met links, overpakken op rechts en gooien met rechts. De bal zal als het ware ‘achtjes’ gaan draaien. Na 20 keer heen en weer vangen met rechts, overpakken op links en gooien met links.
Oefening 14
De spelers geven elkaar moeilijke ballen. Zodanig gooien dat er moeite moet worden gedaan om met één hand te vangen. Op kniehoogte, iets te ver langs het lichaam, iets boven het hoofd.
Oefening 15
De spelers bewegen lichtjes heen en weer. De bal moet worden geplaatst op bewegende spelers, dus iets voor het lichaam van de bewegende speler.
Oefening 16
Als oefening 10, maar nu met een bovenhandse slingerworp.
Oefening 17
Als oefening 16, maar de spelers vangen met één hand en proberen de bal ‘draaiende’ te houden. Dat betekent dat de snelheid van de bal wordt omgezet in de draaibeweging die bij hoofdstuk 5 is beschreven en direct wordt teruggegooid. Het vangen is direct de start van de slingerworp.
Oefening 18
Als oefening 17, maar nu met een onderhandse slingerworp. De bal wordt hoog gevangen en met een draaibeweging achter het lichaam onderhands teruggegooid.
Oefening 19
De spelers spelen de bal achter de rug naar elkaar toe. Net als bij de slingerworp is het lichaam wat gedraaid (als er met rechts wordt gegooid moet de linkerschouder het dichtst bij de medespeler zijn), de afstanden bij deze oefening klein houden.
Oefening 20
De spelers spelen elkaar de bal in de sprong toe. Vlak voor het ontvangen van de bal springt men op, men vangt de bal, speelt deze snel weer terug en belandt pas daarna op de grond.
Een lastige oefening waarbij het vooral op timing aankomt, de meeste spelers zullen te vroeg springen en daardoor geen tijd hebben om de bal terug te gooien. Eventueel slechts een van de spelers laten springen.
Voor kinderen met weinig sprongkracht is deze oefening niet geschikt.
Oefening 21
Als oefening 20, maar nu met één hand vangen en werpen.
Oefening 22
Als oefening 20, maar de bal wordt ver boven het hoofd geplaatst. Deze oefening kan individueel tegen een muur worden uitgevoerd, bijvoorbeeld bij een circuitje.
Bij de volgende oefeningen staat wederom het werpen en vangen centraal. Het accent kan liggen op het aanleren van techniek, het onderhouden van de techniek, maar ook op conditie. De organisatie is per tweetal een werker en een aangever. Ieder tweetal een bal en enkele pilonnen. Na 30 seconden of 1 minuut van functie wisselen.
Oefening 23
De werker staat op 10 meter en loopt richting aangever. De bal wordt gegooid en met één hand in de loop gevangen en direct teruggegooid. De werker gaat terug naar beginpositie en loopt wederom op de aangever af. De bal wordt nu met de andere
hand gevangen en gegooid. Steeds opnieuw waarbij elke keer van hand wordt gewisseld.
Oefening 24
Als oefening 23, maar de bal wordt op hoofdhoogte gespeeld. In de sprong met één hand vangen (wellicht eerst met twee handen oefenen) en met één hand teruggooien.
De bal kan ook ruim boven de werker worden gegooid, zodat deze echt moet springen en volledig strekken om de bal te vangen.
Oefening 25
Op 6 meter voor de aangever staat een pilon. De werker loopt naar de pilon, maakt een uitwijkbeweging en loopt naar schuin achteren. De bal voor de werker aangooien. Direct terug spelen, weer naar de pilon lopen en de andere kant op uitwijken. De meeste spelers zullen de bal met een hand vangen en teruggooien, waarbij de buitenste hand wordt gebruikt.
Oefening 26
Als oefening 25, maar de bal laten overpakken op de binnenste hand en daarmee gooien. Let op de verplaatsing van het lichaamsgewicht op het binnenste been en het goed voorzetten van het andere been voordat wordt gegooid.
Oefeningen 25 en 26 kunnen ook met een slingerworp, onderhands dan wel bovenhands worden uitgevoerd. Leg de nadruk op de techniek en de verschillen.
Oefening 27
Als oefening 25, maar de bal wordt ‘creatief’ teruggespeeld. Dat betekent achter de rug langs, achter het hoofd langs, met een stuit of anders. De actie moet wel functioneel blijven.
Variaties
- Gooi de bal ook als de werker bij de pilon is aangekomen, deze vangt en gooit met twee handen.
- Oefening op grote afstand, veel kracht en uithoudingsvermogen worden vereist.
- In plaats van in een V-vorm te lopen, de werker in een rechte lijn van links naar rechts laten lopen op 6 meter van de aangever. De aangever moet nauwkeuriger gooien omdat de ballijn vrijwel haaks op de looplijn is.
- De aangever licht op de plaats laten bewegen, zodat bij het terug gooien meer concentratie wordt vereist van de werker.
Oefening 28
De werker beweegt op circa 4 meter voor de aangever heen en weer in een verdedigende houding, dus licht door de knieën. De werker vangt en werpt de bal met een hand, hierna ‘schuift’ hij de ander kant uit. De werper vangt en werpt de bal met de andere hand en gaat weer terug. De oefening wordt steeds in verdedigende houding uitgevoerd en belast dus met name de bovenbeenspieren. Besteed aandacht aan het goed vangen en werpen tijdens het ‘pijnlijden’.
Oefening 29
De werker ligt languit op de grond, de aangever op enkele meters voor de werker zit gehurkt. De werker moet de bal steeds vanuit lig terugwerpen naar de aangever. De oefening is met name bedoeld voor rug-, buik- en bovenarmspieren.
Oefening 30
De werker zit op de grond met opgetrokken knieën en de aangever staat op 5 meter. De werker vangt de bal, tikt de bal achter het hoofd liggend op de grond, komt weer in zittende positie en gooit de bal terug. In feite sit-ups met bal.
Oefening 31
De werker staat schuin rechts voor de aangever op circa 8 meter en loopt naar schuin links voor de aangever. Recht voor de aangever ontvangt de werper na een sprong de bal en de bal wordt direct teruggegooid. De werper moet hiervoor in de sprong een kwart draai maken. Daarna loopt de werker door naar schuin links.
Vandaar dezelfde oefening, maar nu met de andere hand.
Oefening 32
Als oefening 31, maar nu wordt de bal pas gegooid als de werker bij het draaipunt is, dus steeds schuin voor de aangever. De werker moet in plaats van een kwart draai maken in de sprong nu bijna een halve draai maken in de sprong.
Oefening 33
De aangever plaats de ballen met een boog in de ruimte, de werker moet ze vangen en direct teruggooien. Van belang is de inschatting van de aangever hoe ver van de werker kan worden geplaatst zonder dat de bal met stuit wordt gevangen.
Oefening 34
De aangever gooit de bal over de werker heen in de ruimte. De werker vangt de bal en plaatst direct de bal terug. De aangever staat, nadat de bal is gevangen door de werker, pal achter de speler en hij moet dus een halve draai maken om terug te kunnen gooien.
Oefening 35
De werker loopt heen en weer voor de aangever op circa 5 meter. Steeds als de werker voor de aangever is krijgt hij de bal en plaatst de bal achter de rug terug.
Oefening 36
Als 35, maar de bal met een slingerworp boven het hoofd terug gooien, de afstand kan worden vergroot.
Oefening 37
De werker start op drie meter voor de aangever, loopt naar schuin links van de aangever en ontvangt op circa 5 meter de bal en gooit terug. De werker loopt vervolgens naar schuin rechts van de aangever en ontvangt de bal op circa 9 meter en gooit direct terug. Vervolgens loopt de werker weer naar ver voor de aangever en ontvangt de bal op circa 15 meter en gooit direct terug, gevolgd door een sprint naar de beginpositie op drie meter voor de aangever. De werker loopt nu eerst naar schuin rechts voor de aangever en voert de oefening nogmaals uit, maar nu steeds de andere kant op. Herhaal deze oefening 2 maal en wissel dan van functie.
De volgende oefeningen zijn voor viertallen en vormen basisoefeningen voor het vangen en gooien. Per viertal een bal en twee pilonnen die circa 10 meter van elkaar staan. Twee spelers bij pilon A en twee spelers bij pilon B. De oefeningen kunnen ook met drietallen worden uitgevoerd, maar dan moet de bal beginnen bij de pilon waar twee spelers staan.
Oefening 38
De speler met de bal speelt de bal met twee handen naar de speler bij de andere pilon, loopt de bal achterna en sluit aan bij de spelers bij die pilon. Een simpele en herkenbare oefening. Snelheid ontwikkelen vanuit de worp is een mogelijke aandachtspunt om bij wat oudere spelers toch deze oefeningen aantrekkelijk te houden.
Variaties: welk tweetal kan het snelst 50 keer heen en weer gooien, valt de bal dan weer opnieuw beginnen te tellen. Wie kan het vaakst overspelen zonder de bal te laten vallen.
Oefening 39
Als 38, maar werpen met één hand. Na verloop van tijd werpen met de andere hand.
Oefening 40
Als 39, maar ook vangen met één hand.
Oefening 41
Speler 1 gooit naar een tegemoetkomende speler 2, deze gooit de bal door naar de pilon waar hij vandaan kwam naar speler 3 (moet dus een halve draai maken) en sluit aan bij de andere pilon. Bij drietallen begint het tweetal nu zonder bal. Variaties zoals oefening 38 t/m 40.
Oefening 42
Speler 1 gooit de bal naar de tegemoetkomende speler 2 die niet recht naar de bal, maar schuin naar rechts van de speler loopt. Speler 1 loopt naar de overkant, ontvangt halverwege de bal van speler 2 en gooit deze naar de pion waar hij vandaan kwam, speler 4, en sluit achter de andere pion aan waar alleen speler 3 staat. Speler 2 sluit achter speler 4 aan.
Speler 1 moet een kwart draai maken om de bal van speler 2 naar speler 4 te kunnen gooien, deze draai moet in de lucht kunnen worden uitgevoerd.
Oefening 43
In een vierkant opstellen met een onderlinge afstand van circa 10 meter. Bij grotere groepen kan in vijftallen worden gewerkt met vijfhoeken.
Speler 1 gooit de bal naar speler 2, loopt achter de bal aan en krijgt bij speler 2 de bal weer terug. Speler 1 gooit naar speler 3, wederom achter de bal aan, ontvangst en gooit naar speler 4. Bij speler 4 moet speler 1 een lange diagonale bal gooien naar speler 2 en speler 1 kan zijn oorspronkelijke positie innemen. Speler 2 vervolgt inmiddels de oefening.
Deze oefening ieder twee maal laten uitvoeren en dan de andere kant op laten gooien.
Wie is er het eerst klaar? Waak voor ongelijke afstanden.
Oefening 44
Twee spelers gooien naar elkaar en twee spelers proberen de bal te onderscheppen. De gooiende spelers hebben een beperkte ruimte, bijvoorbeeld ieder een cirkel met een diameter van 5 meter. Zodoende wordt het gooien op een bewegende speler en het ontwijken van een tegenstander getraind. Als bal 5 maal is onderschept, wisselen van functie.
Oefening 45
Een speler werpt de bal naar een medespeler op circa 4 meter en probeert direct de medespeler het gooien te belemmeren. Dat kan door inspringen, door laag te verdedigen of door zich breed te maken. De werper kan direct naar 2 andere medespelers gooien en tracht daar het gooien te belemmeren.
De voeten staan in een schredestand, waarbij de linkervoet voor de rechtervoet staat. De knieën licht gebogen. De romp helt iets voorover. De rechterhand wordt voor naast het hoofd gehouden, de duim wijst naar het hoofd, de vingers zijn gespreid. Het lichaamsgewicht rust op het voorste been. Nadat contact met de bal is verkregen is het van belang de vaart van de bal af te remmen. Dat gebeurt doordat: het lichaamsgewicht zich verplaats naar het achterste been, de hand met de bal naar achter het hoofd gaat en de rechterschouder meedraait, de arm tijdens het vangen gebogen wordt. De eindhouding is weer de beginhouding voor een eenhandige strekworp.
Veel voorkomende fouten:
- Onvoldoende meegaan met de bal, de vaart wordt te abrupt afgebroken.
- De arm is niet voor het lichaam als de bal wordt gevangen, de contactbaan is te kort om de bal goed onder controle te krijgen.
- Verkeerde been staat voor.
De uitgangshouding is schredestand met licht gebogen knieën. Beide handen gaan de bal tegemoet. Hierbij worden de armen bijna volledig gestrekt, echter zonder spanning. Juist voor het moment dat de bal de handen raakt, worden de armen gebogen. Zo wordt de vaart van de bal afgeremd. Het gehele lichaam maakt tegelijkertijd een kleine achterwaartse beweging. Bij het opvangen van de bal zijn de vingers gespreid aan de zijkant van de bal, de duimen wijzen naar elkaar toe aan de achterkant van de bal. Bij hoog aankomende ballen de duimen dichtbij elkaar houden. Bij laag aankomende ballen de pinken dicht bij elkaar houden.
Veel voorkomende fouten
- De duimen worden niet achter de bal gehouden, waardoor de bal door de handen schiet.
- Men strekt de armen niet uit naar de bal waardoor men pas actief gaat vangen als de bal te dicht bij het lichaam is. Het geleiden van de bal om de vaart te minderen valt dan weg en de bal stuit als het ware tegen de borst of handen.
- Men buigt de armen niet als er kontact met de bal is gemaakt, gevolg is een uit de handen stuiterende bal.
- Men vangt niet met het gehele lichaam, hierdoor wordt de eindhouding niet direct de beginhouding van een worp.
De onderhandse slingerworp wordt met name gebruikt om uit de worp ook snelheid te creëren voor een actie richting korf, waarbij een inspringende tegenstander voorbij wordt gelopen nadat de bal onderhands is gegooid.
Voor rechtshandige is de uitgangshouding een schredestand met de linkervoet voor en de knieën lichtgebogen. Een hoog aankomende bal is een ideale inzet voor deze worp. De bal wordt hoog gevangen en in een cirkelvormige baan gebracht, die verloopt via achter naar beneden vóór het lichaam. De arm is hierbij soepel gestrekt en de bal ligt op de gespreide vingers. De bal wordt losgelaten net nadat de rechterarm loodrecht naar beneden wijst. Het lichaamsgewicht is aanvankelijk op het voorste been. Tijdens de cirkelbeweging van de arm verplaatst zich dat naar achteren, om tenslotte weer te eindigen voor het voorste been.
Onderhandse slingerworp uit eenhandig vangen
Om de worp te gebruiken om snelheid te maken voor een loopbeweging gaat het linkerbeen naar voren op het moment dat de rechterarm loodrecht naar beneden wijst (vanaf stap 6 in de afbeelding). Bij het strekken van de rechterarm (de bal is dus reeds gegooid) komt de linkervoet weer op de grond en is de eerste pas naar binnen gemaakt.
In de wedstrijd wordt vaak met twee handen gevangen. Nadat de bal met twee handen is gevangen wordt de bal met de rechterhand van borsthoogte naar omlaag gebracht tot kniehoogte en achter het lichaam weer omhoog gebracht, waarbij de arm tijdens de beweging naar achteren gestrekt wordt en aan het eind horizontaal staat. De verdere techniek is gelijk aan het onderhandse slingerworp uit eenhandig vangen.
Onderhandse slingerworp uit tweehandig vangen
Veel voorkomende fouten
- Het moment van loslaten is foutief, waardoor de juiste richting van de worp verloren gaat.
- De arm wordt niet gestrekt gehouden.
- De snelheid van de ronddraaiende arm is te hoog, waardoor men de bal verliest of verkeerd plaatst.
De bovenhandse slingerworp wordt veelal toegepast als de tegenstander groter is dan de speler of men wil een boogbal (lobje) gooien.
Men staat in een niet te grote schredestand, linkervoet voor. De knieën zijn gebogen. Men staat dwars op de werprichting. De bal wordt gevangen en in één cirkelbeweging met gestrekte arm van onderaf naar achter het lichaam en vervolgens tot boven het hoofd gebracht en even voorbij het hoofd los gelaten, juist nadat het hoogste punt is bereikt. Tijdens het lange balcontact wordt de handelingssnelheid opgevoerd om de bal de gewenste snelheid mee te geven.
Bovenhandse slingerworp uit tweehandig vangen
Veel voorkomende fouten
- De bal wordt te vroeg losgelaten, een te hoge en te korte bal is het gevolg.
- De bal wordt te laat losgelaten, een te lage en te korte bal is het gevolg.
- De arm wordt niet gestrekt gehouden.
- De handelingssnelheid is te laag, waardoor de bal van de hand dreigt te vallen, met name als de bal achter het lichaam is.
Een zijdelingse slingerworp is over het algemeen onnauwkeurig en ongecontroleerd. Voor de volledigheid wordt het hier beschreven, maar het aanleren van deze worp verdient geen prioriteit. De bovenhandse slingerworp is een beter alternatief.
Nadat de bal gevangen is, wordt hij met gestrekte arm horizontaal naar achteren gebracht. Bij een rechtshandige werper staat het linkerbeen voor. Het lichaamgewicht rust op het rechterbeen, dat licht gebogen is. Het lichaam staat dwars op de werprichting. De bal wordt nu met een gestrekte arm horizontaal
weggeslingerd, waarbij de kracht komt uit strekking van het rechterbeen en de rompdraaiing naar voren.
Meestal is de romp in de uitgangshouding iets verder voorover gebogen. Verschilt verder alleen hierin met de tweehandige strekworp, dat de bal niet in een horizontale baan wordt gebracht, maar een dalende richting krijgt, waardoor deze eerst tegen de grond zal kaatsen, voor hij verder gaat. De bal moet de grond op circa tweederde van de afstand tot de vanger raken. Niet het midden als uitgangspunt nemen, want dan ontvangt de vanger de bal niet op het hoogste punt en is het resultaat een te langzame bal
De bal wordt met beide handen vóór de borst vastgehouden (zie juiste greep!). In kleine schrede stand licht voorover gebogen en knieën licht gebogen. Het lichaamsgewicht op het achter geplaatste been. Terwijl het lichaamsgewicht wordt overgebracht op het voorste been, worden gelijktijdig de armen gestrekt. De bal wordt losgelaten net voor de armen volledig gestrekt zijn. Door een rotatie in de polsen, waarbij de handpalmen naar buiten worden gedraaid, krijgt de bal nog extra snelheid. De vingers zijn daarbij gestrekt en licht gespreid.
Als een aanvaller een verdediger is gepasseerd kan hij een doorloopbal nemen. De aanvaller heeft bij een doorloopbal bijna altijd een grote voorwaartse snelheid. Het schot moet echter nauwkeurig zijn en dit heeft voor de aanvaller twee belangrijke consequenties:
- De aanvaller moet zijn grote voorwaartse snelheid, als de situatie het toelaat, wat afremmen. Ook de snelheid van de geschoten bal zal hierdoor afnemen. De bal zal niet zo snel over de korf heen vliegen.
- De speler moet zijn voorwaartse snelheid (horizontale verplaatsing) voor een deel omzetten in hoogte (verticale verplaatsing), hierdoor komt hij dichter bij de korf en zal het scoren gemakkelijker worden.
De meeste spelers zullen een voorkeur hebben met welk afzetbeen de doorloopbal wordt genomen. Bij de laatste passen van het aanlopen voor de doorloopbal houdt de aanvaller rekening met het goed uitkomen voor het juiste afzetbeen. Soms zie je enige kleinere passen en sprongetjes of hinkjes. Het uitkomen op het juiste afzetbeen geeft de aanvaller vertrouwen. Net zoals spelers een voorkeur hebben om met een bepaalde hand te gooien. Zeker in de top is het van belang dat de doorloopbal met beide benen kan worden genomen.
Beginhouding
De laatste passen zijn voorbereidend op de doorloopbal. De armen reiken licht gebogen naar de bal. De laatste pas is een zogenaamde ‘rempas’. Deze pas vangt veel van de voorwaartse snelheid op en zet een deel daarvan om in hoogte. Vele spelers hebben hiervoor ook een hinkpas.
Verloop
Door het vangen van de bal zijn de armen van de aanvaller licht gebogen. Vaak haalt hij de bal, voordat deze omhoog gebracht wordt, eerst nog even een kort, klein stukje naar beneden. Bedoeling daarvan is het creëren van een langere contactbaan.
Daarna brengt hij de bal rechtlijnig omhoog richting korf. Hiervoor wordt het zwaaibeen actief gebruikt om de voorwaartse snelheid om te zetten in hoogte. De bal moet zo dicht mogelijk bij de korf komen (armen strekken) en zo laat mogelijk worden losgelaten.
Eindhouding
Volledig gestrekte armen. De vingers wijzen de bal na. De schutter beëindigt de sprong door een landing op het niet-afzetbeen (vooral bij grote snelheden) waarbij wordt in geveerd. om de neerwaartse beweging op te vangen. Afhankelijk van de situatie komt de aanvaller tot stilstand onder de korf of loopt hij op snelheid door.
Doorloopbal
Veel voorkomende fouten
- De aanvaller buigt de armen niet bij het vangen
- De aanvaller overtreedt de loopregel
- Er is geen actieve inzet van het zwaaibeen. Hierdoor ontstaat te weinig hoogte
- Armen worden onvoldoende gestrekt, waardoor het ‘geleiden’ van de bal te kort is
- De bal wordt niet rechtlijnig naar de korf gebracht, maar vanuit de zijkant van het lichaam met een slingerbeweging
- Het neerkomen gaat niet gepaard met inveren van het been waarop men landt. Hierdoor kunnen knieblessures ontstaan.
- Laatste pas is te groot, waardoor de afzet moeilijk veel hoogte kan krijgen.
Oefening 2
Verdeel de spelers over zoveel mogelijk korven. De spelers staan in een rij voor de korf op circa 6 meter. Iedere speler heeft een eigen bal. In een rustige looppas de bal in twee handen onderhands naar de korf brengen. De speler vangt zelf de bal. Lopen met de bal is toegestaan bij deze oefening. Besteed vooral aandacht aan de positie van de bal en armen.
Oefening 3
Als oefening 2, maar de speler gooit de bal iets omhoog en vooruit, waardoor de speler de bal moet vangen door een stap te doen. Vervolgens stapt hij door, met de bal in de handen op middenrif hoogte en werpt na de afzet de bal door de korf. Kijk niet zo nauw als er een pas wordt gelopen, de strekking van de armen en positie van de bal t.o.v. lichaam staan centraal.
Het ritme waarin wordt gegooid, gelopen, gevangen en geschoten gaat in het begin niet vloeiend. Oefen lang en stimuleer het zoeken naar het ritme, desnoods met een paar voorbeelden tussendoor om het juiste ritme aan te geven.
Oefening 4
Een speler achter de paal, een speler voor de paal op circa 2 meter en een doorloopbalnemer. De doorloopbalnemer wordt aangegeven door de speler voor de paal, de afvanger vangt de bal na de doorloopbal. Doorloopbalnemer wordt afvanger, afvanger wordt aangever en aangever sluit achter aan in de rij van doorloopbalnemers. Maximaal 4 spelers per korf.
Het op tijd aangeven van de bal en het zuiver aangeven is een probleem. De aangever ervaart zich niet als medewerker voor de schutter. Het aangeven wordt niet ervaren als belangrijkste voorwaarde voor een geslaagde doorloopbal. Dit aangeven
kan worden aangeleerd door de doorloopbalnemer de bal eerst van de hand af te laten pakken van de aangever. Hierover later meer.
De organisatie van de oefening waarbij de rollen rouleren, eist in het begin concentratie.
Oefening 5
Het aanleren van de hink is ook droog aan te leren. Laat de spelers op rij over de lengte van het veld in rustig tempo lopen. Op teken van de trainer omhoog springen waarbij met één been wordt afgezet. Laat de spelers bewust worden welk been ze afzetten.
Vervolgens moet het afzetten worden voorgegaan met een hink op het andere been en een korte pas. De armen worden bij de sprong omhoog gestrekt, net als bij de doorloopbal. Het ritme van hink-stap-sprong kan zo worden geoefend zonder bal.
Als het ritme goed wordt beheerst, kan de bal worden gebruikt, nog geen korf. Laat de bal in de loop ca. 2 meter vooruit gooien en bij het stuiteren van de bal kan de hink worden ingezet. Tijdens de hinkfase wordt de bal gevangen. Daarna volgen de pas en een kleine opsprong, waarbij de bal met de handen omhoog wordt gebracht.
Oefening 6
Voor het aangeven van de bal is er een tussenstap, namelijk de doorloopbalnemer de bal laten pakken uit de hand van de aangever, die de bal opzij van het lichaam op één hand houdt. De doorloopbalnemer neemt voor het afpakken van de bal de hinkpas en gooit de bal in de korf. Als het afpakken goed verloopt kan de aangever de bal toewerpen van korte afstand.
Oefening 7
De aangever verder van de doorloopbalnemer de bal laten aangeven. Doe dit door een combinatie extra. De bal van de aangever (die zojuist heeft afgevangen) wordt naar de doorloopbalnemer op circa 7 meter gegooid. De aangever neemt een positie in op circa 4 meter schuin voor de korf. De bal wordt teruggegooid naar de aangever, de doorloopbalnemer loopt in een rechte lijn naar de korf. De bal wordt aangegooid. Zie figuur 1.
De aangever loopt uit de korfzone en ontvangt de bal. Om aan te geven moet er ruimte worden overbrugd. De aangever moet onderhands aangeven met buitenste hand, in dit voorbeeld de rechterhand. De doorloopbalnemer blijft met de voeten richting korf lopen, draait het bovenlichaam heel licht om de bal goed te ontvangen tijdens de hink of voorlaatste pas.